Slechts 1,4 kogel per gevelde geit…

Hongerige walvisvaarders en zeerovers, losgelaten en ontsnapte honden, katten, ratten, varkens en geiten hebben op veel eilanden van de Galàpagos archipel onherstelbare schade aangericht door het eten van eieren van vogels en schildpadden, jonge en volwassen dieren en de schaarse vegetatie. Sommige inheemse en unieke diersoorten zijn daardoor voorgoed verdwenen. In de afgelopen decennia hebben de autoriteiten kans gezien om de meeste eilanden rigoreus te ontdoen van schadelijke nieuwkomers.
In de eerste fase van de uitroeïngscampagne werden locale jagers ingezet, soms voorzien van speciaal uit Nieuw Zeeland geïmporteerde jachthonden.
Zo lukte het om op het eiland Santiago bijvoorbeeld, zo’n 80 procent van de geiten op te ruimen. Maar kleine groepjes wisten steeds te ontsnappen naar onbegaanbare gebieden of hielden zich schuil in dicht struikgewas. Om ook deze laatste dieren te pakken te krijgen werden helicopters met jagers ingezet en zelfs werden gesteriliseerde geiten met radiozenders gedropt. Geiten zijn kuddedieren en binnen de kortste keren verraadden de gezenderde dieren hun soortgenoten.
Ten slotte werden gesteriliseerde en met hormonen bewerkte geiten losgelaten, die vanwege hun grote aantrekkelijkheid als onweerstaanbare ‘femmes fatales’ alle aandacht trokken van de bokken.
De succesvolle campagne kostte 1,4 kogel per gevelde geit.

De schade kan soms zelfs heel onverwacht uitpakken: door de grootschalige vraat door geiten bleef er voor de nesten van reuzenschildpadden te weinig schaduw over. Het resultaat was te warme eieren en – omdat bij veel reptielen het geslacht van de nakomelingen door de broedtemperatuur wordt bepaald – een overmaat aan vrouwelijke dieren. Dat geeft natuurlijk onrust. Anderzijds zijn er in sommige streken nog maar zo weinig dieren over dat de meermalen werd waargenomen dat gefrustreerde volwassen reuzenschildpadmannetjes een jong mannetje of zelfs afgeronde brokken bazalt bestegen. Daarentegen is ze wel een lang leven gegund, niet onmogelijk dat er nog 200 kilogram zware reuzen leven die in hun jeugd de jonge Darwin nog hebben gezien toen deze in 1835 de eilanden aandeed.

Bepaald bedreigend is natuurlijk ook de bevolkingsexplosie en de grote aantallen belangstellende toeristen: in twintig jaar tijd is de bevolking verviervoudigd tot 30.000 inwoners en het aantal toeristen dat de eilanden aandoet bedroeg in 2006 al 140.000. De autoriteiten doen er gelukkig alles aan om de toeristenstroom aan straffe regels te binden, opdat de unieke flora en fauna van dit Werelderfgoed zo min mogelijk hebben te lijden van vervuiling en verstoring. Bepaald schadelijk is echter de illegale visserij rond de eilanden.

Maar soms komt het gevaar uit wel erg onverwachte hoek. Door meereizende insecten kunnen allerlei parasieten worden overgebracht naar plekken en diersoorten waar ze vroeger onbekend waren. De Hawaïeilanden hebben hier al op traumatische wijze kennis mee gemaakt. Zo wordt op dit moment de op de Galapagos eilanden inheemse vogelwereld bedreigd door vogelmalaria. Een van de vliegende injectiespuiten, die de eencellige parasiet kan overbrengen, een brakwaterminnende mug, heeft zich al op de eilanden genesteld. Dan begrijpt u meteen waarom tijdens de reis nu en dan plotseling een stewardess of matroos met de spuitbus uw bagage, luchtwegen en kapsel te lijf gaat. Reden ook waarom de schepen, die de eilandengroep aandoen, niet ’s avonds – dus verlicht en daarmee een aantrekkelijk object voor insecten – het vaste land verlaten.

Dierlijke drift in rood

Rood staat voor opofferingsgezindheid, revolutie, bloed en moed en is vermoedelijk daarom een veel voorkomende kleur in vlaggen en vaandels.
Rood staat ook voor gevaar. Niet voor niets hebben waarschuwingsborden een rode rand, letten fietsers extra op bij het nemen van een rood stoplicht en worden voetballers afgestraft met een rode kaart.
Rood trekt onze aandacht en zet de geest op scherp, de mannelijke in het bijzonder. Fel rode lippen, rode lingerie en jurk blijken voor mannen van onze soort even aantrekkelijk als de opwindend rode zwellingen van vrouwelijke bavianen en chimpansees voor de mannetjes van hun soort.
Verschil is evenwel dat het laatste rood een aanwijzing is dat de eisprong nabij is of een feit en opgetutte mensenvrouwen met hun verborgen ovulatie 365 dagen per jaar vruchtbaarheid suggereren.

Kleur bekennen
De meeste vrouwelijke zoogdieren verraden zich in de vruchtbare dagen van de ovulatoire cyclus door opdringerig seksueel gedrag en opwindende geuren.
De mensenvrouw vormt hierop geen uitzondering. In de dagen rond de eisprong wordt meer geflirt, is de frequentie van het stemgeluid hoger en meer sexy, vinden er meer buitenechtelijke escapades plaats, verschuift het decolleté in zuidelijke richting en de rokzoom noordwaarts. De ovulatie wordt opmerkelijk beter verborgen dan bij de meeste andere zoogdieren, maar helemaal verborgen gaat het grote gebeuren niet voorbij.
Omdat mannen, evenals de meeste mannelijke dieren trouwens, altijd wel belangstelling hebben in het bedrijven van de liefde, seks dus, zijn ze daardoor gedwongen om in de buurt van hun partner te blijven om te verhinderen dat een ander z’n wellustige slag slaat, toevallig in haar vruchtbare periode. Bovendien, omdat bij onze soort ook de vrouwelijke sekse het gehele jaar door seksueel belangstellend is – op een enkel geval van hoofdpijn na natuurlijk – heeft seks een versterkende invloed op de onderlinge band. In dat kader is het voor de vrouw ook van belang om altijd c.q. zo lang mogelijk seksueel aantrekkelijk te blijven. Daarom worden jaarlijks fortuinen uitgegeven aan het ontgrijzen, liften, sucken, botoxen en een machtige variatie aan alles camouflerende make-up en mode.
Ook bij veel diersoorten is de aanwezigheid én de intensiteit van het rood, maar dan in veren, snavels en huiddelen van mannetjes een maat voor aantrekkelijkheid. Mannelijke huismussen, uitsluitend bekend in de tinten bruin, grijs en grauw, bleken versierd met enkele rode papegaaienveertjes onweerstaanbaar voor mussenmeisjes. Rood trekt blijkbaar enorm aan, zelfs in de mussenwereld waar deze variant in de levende natuur volstrekt onbekend is.

Door hun nachtelijke en verborgen leefwijze onder invloed van de alles dominerende dinosauriërs en reptielen werd nachtzien voor zoogdieren belangrijker en moest de beschikbare ruimte op het netvlies worden herverdeeld. Kleurgevoelige kegeltjes ruimden het veld voor lichtgevoelige staafjes en zo verloren zoogdieren twee van de vier oogpigmenten.
Na het verdwijnen van de dinosauriërs, circa 65 miljoen jaar geleden, konden de zoogdieren zich weer bovengronds vertonen. De handicap van beperkt kleuren zien bleef. De kat – evenals veel andere nachtdieren – ervaart maar weinig kleur in het leven. Runderen en herten missen ook de roodgevoelige kegeltjes. Daarom wordt wel aanbevolen aan jagers om in plaats van groen-zwarte camouflagekleding, rood-zwarte camouflagekleding te dragen: opvallend voor mede jagers – en daarmee levensreddend – maar herten zien geen verschil tussen groen en rood. En de kleur van het kattenvoer is dan ook vooral voor het baasje evenals rode lap bij het stierengevecht alleen door het publiek zo wordt ervaren.
De mens heeft echter geluk gehad: een verre voorouder van vruchten etende smalneusapen als bavianen en mensapen kreeg circa veertig miljoen jaar geleden via mutaties één verloren pigmentkegeltje terug. Een voordeel natuurlijk bij het vinden vruchten in groene boomkruinen en het maken van onderscheid tussen rijp en onrijp.

De liefde ontleed
Mannelijke individuen – ook van onze soort – nemen bij de partnerkeuze risico’s om bij de andere sekse belangstelling te wekken. Er wordt risicovol gebaltst, gebruld en gezongen, geshowd, gestunt en uitgedaagd. De boodschap lijkt wel: ‘Lukt het je om volwassen te worden ondanks een ‘handicap’ als een zeer in het oogvallende en vaak een beweging belemmerende uitmonstering, óf bepaald risicovol gedrag dan moet de man of het mannetje wel beschikken over bijzondere gezondheid, spierkracht, reactievermogen, alertheid en goede zintuigen anders had zich al lang een roofdier ontfermd over de bezitter van al dat moois.’
En dat communiceert het mannelijk deel van de wereld graag, vooral naar de andere sekse.

Bij veel diersoorten heeft de vrouwelijke sekse namelijk een overduidelijke voorkeur voor de uitbundigst baltsende, mooist zingende en kleurrijkste macho’s, met vooral rood in de hoofdrol.
De situatie bij de mens lijkt niet anders.
Moeten mannelijke dieren het nog vooral hebben van risicovolle handicaps als ornamenten (geweien, hoorns, veren), zang, balts en waaghalzerig gedrag, voor de mensenvrouw echter is het relatief nieuwe selectiecriterium sociale intelligentie (originaliteit, creativiteit, humor) geïntroduceerd. Fysieke kracht, uiterlijk en lef zijn echter niet helemaal onbelangrijk. Vooral rond de eisprong winnen eigenschappen met een hoog baviaangehalte weer aan gewicht.
Ruim 100 miljoen jaar zoogdier poets je niet in enkele generaties pijl en boogschieten, boekdrukken en e-mailen weg.

En vergeet u vooral niet de tentoonstelling ‘Het Tropenmuseum kleurt Rood’ te bezoeken (5 november 2010 t/m 8 mei 2011 in de lichthal van het Tropenmuseum)

De zelfmoord van de Artisbestuursleden Boekman en May (mei 1940)

Tot de doden van 15 mei ten gevolge van zelfmoord hoorde de bekende joodse Amsterdamse wethouder van Onderwijs, tevens Artis bestuurslid, dr. E. Boekman. Boekman had in de periode 1930 – 1939 veel bijgedragen aan het behoud van Artis, met name in de moeizame onderhandelingen met de obligatiehouders, de zg. trustees.
Emanuel Boekman had zijn leven lang een grote belangstelling voor alles wat joods was, maar was wars van orthodoxie en ghettomentaliteit. Op het eind van zijn leven zou hij zionist worden. In 1936 publiceerde hij zijn baanbrekende werk Demografie van de Joden in Nederland. Opmerkelijk is dat hij nauwelijks reageerde op het nationaal-socialisme. Bij de inval van de Duitsers in mei 1940 weigerde hij aanvankelijk te vluchten naar Amerika, zoals zijn dochter en schoonzoon. Hij beschouwde dat als de ‘vaandelvlucht’ van een vooraanstaande joodse bestuurder. Toen de capitulatie onontkoombaar bleek, deed hij alsnog met zijn vrouw Jansje Nerden een poging om via IJmuiden te ontkomen. Dat mislukte.
Samen met enkele vrienden maakten zij op 15 mei 1940 een einde aan hun leven. Zij werden op de joodse begraafplaats in Diemen begraven.
Ook Paul May, broer van de Artisvoorzitter Robert May en medefirmant bij de bank Lippmann Rosenthal & Co, direct na de Duitse inval heeft samen met zijn vrouw Rosi May – Fuld het lot in eigen handen genomen.

De bankier Robert Heinrich May (Amsterdam 13 oktober 1875 – 23 augustus 1961) ging direct na zijn middelbare schoolopleiding naar het buitenland, waar hij gedurende enige jaren werkzaam was bij bankiers in Hamburg, Frankfurt am Main, Londen en Parijs. In 1897 ging hij aan de slag bij de bankiersfirma Lippmann, Rosenthal &Co, die in 1859 in Amsterdam was opgericht door zijn oom George Rosenthal. Robert werd op 1 januari 1904, tegelijkertijd met zijn broer Paul, medefirmant.
Uit hoofde van zijn functie bekleedde May diverse commissariaten bij onder andere het Amstelhotel, de Hollandsche Koopmansbank, Rouppe van der Voort’s Industrie- en Metaal Maatschappij, Lever’s Zeep Maatschappij en Het Nederlandsch Sportpark (Olympisch Stadion), en was hij bestuurslid bij onder andere Artis en het Museum voor Oost-Aziatische Kunst.
Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog, na de zelfmoord van Paul May en het vertrek van firmant Ellen von Marx-Maij naar New York, werd Alfred Flesche door de Duitse bezetter als zogenaamde ‘Verwalter’ bij de firma aangesteld. May bleef in dienst als ‘adviseur’.
Bron: Joden in Nederland in de twintigste eeuw.

Goed om nu nog even de heer Gerard Metzelaar aan het woord te laten, ooit een goede vriend van de homoseksuele Robert May. May was tot het eind van zijn leven zeer bevriend met Jimmy Post, in het liberale en tolerante Amsterdam met een milde glimlach ‘het Joodse bruidje’ genoemd.
May heeft – bijzonder genoeg – gedurende de hele oorlog in zijn huis aan de Lairessestraat gewoond. Een keer is Robert May in Westerbork geweest. Metzelaar was er zeer stellig over dat dat niet langer dan enkele dagen had geduurd. Plotseling belde May hem opgelucht op en meldde dat hij gelukkig weer terug was uit Westerbork.
Waarom Robert May ‘zonder kleerscheuren’ de oorlog kon overleven is onbekend; mogelijk dat de Duitsers hem nodig hadden voor informatie over bankzaken of om het imago van betrouwbaarheid van de bank Lippmann Rosenthal & Co hoog te houden.

In de notulen van de bestuursvergadering van 29 oktober 1940 onder leiding van Artisvoorzitter May, wordt de joodse wethouder en Artisbestuurder Boekman samen met de (niet joodse) Vom Rath herdacht: ‘Nadat de Voorzitter de vergadering geopend heeft herdenkt hij de beide bestuursleden, die ons door den dood zijn ontvallen, de Heer Boekman, die gedurende 2 jaar namens de Gemeente zitting had in het Bestuur en steeds groote belangstelling voor het Genootschap heeft getoond. Wij zullen zijn nagedachtenis in eere houden.’

Halverwege de vergadering laat Robert May zijn medebestuursleden weten dat hij wenst af te treden; geen woord wordt gewijd aan de reden van zijn vertrek: ‘De Voorzitter zegt de overleden Bestuursleden reeds herdacht te hebben, maar wil nog even het vertrek van de Heer Polak memoreeren. Het doet ons leed dat wij hem in onze vergaderingen moeten missen.
Er zijn thans 4 vacatures in het Bestuur. De Voorzitter en de Heer Voute wenschen te bedanken en door het overlijden van de Heeren Rehbock en vom Rath zijn er nog 2 vacatures.’
Blijkbaar wist men genoeg en vermelding van anti- joodse maatregelen in de notulen zou de bezetter nodeloos kunnen ergeren.

Op het eind van de vergadering wordt dieper ingegaan op het ophanden zijnde vertrek van bestuursvoorzitter May: ‘De Voorzitter deelt mede, dat er na afloop van de jaarvergadering op donderdag a.s., een bestuursvergadering zal worden gehouden, waarop de Voorzitter afscheid zal nemen en de nieuwe bestuursleden zal installeren. De Heer Rustige zegt, dat hij deze vergadering vermoedelijk niet zal kunnen bijwonen en hij wil daarom thans de Voorzitter ook namens het Gemeentebestuur danken voor alles wat door den Heer May voor Artis is gedaan. Er is buiten Artis veel gekritiseerd en gediscussieerd, den Heer May heeft stand weten te houden. De besprekingen, ook met de Gemeente, waren moeilijk en dikwijls niet aangenaam, maar spreker bewondert de standvastigheid en het doorzettingsvermogen van den Heer May. Moge deze woorden een lichtstreep vormen in voor hem zoo donkere dagen.
De Voorzitter dankt den Heer Rustige en sluit daarop de vergadering.’
Eindelijk iets van medeleven en warmte in de notulen en een hint naar de bedreigingen en gevaren, die de joodse bestuursleden te wachten staan.

Het daadwerkelijk afscheid van Robert May vindt plaats tijdens de bewogen bestuursvergadering van 31 oktober 1940: ‘De Voorzitter opent de vergadering en neemt afscheid van de bestuursleden, waarmede hij zoo lang heeft samengewerkt. Hij zegt dank aan de bestuursleden, en niet minder aan den Directeur voor de steun en hulp die hij van hen mocht ondervinden. Aan de nieuw benoemde bestuursleden roept hij een woord van welkom toe.
Vervolgens stelt hij aan de orde het verdeelen der functies in het Bestuur. Tot Voorzitter wordt de Heer Six benoemd, tot Penningmeester de Heer Roëll, de Heer L.F. de Beaufort blijft Secretaris. De Heer M.H. de Beaufort memoreert als oudste bestuurslid dat de Heer May bijna 25 jaar deel van het Bestuur heeft uitgemaakt. Steeds is er in deze vergaderingen op vriendschappelijke wijze overleg gepleegd. Het spijt den spreker dat de Heer May weggaat en hij wil niet scheiden zonder een woord van dank namens alle bestuursleden. De Heer May heeft vele moeilijke dagen gehad om Artis te behouden en spreker heeft ervaren, dat geen tijd en moeite hem te veel was om de belangen van Artis te verdedigen. Steeds heeft de Heer May getoond een warm hart voor Artis te bezitten. De oud bestuursleden danken hem hartelijk voor de wijze, waarop hij hen geleid heeft. De Heer May dankt voor deze woorden en geeft daarop de Voorzittershamer aan de Heer Six over’.
——
‘De Heer Six neemt de hamer over en spreekt de hoop uit dat de bestuursleden hem denzefden steun zullen willen geven als zijn voorganger heeft genoten, en ook dat de leiding minder moeite zal kosten. Mochten er moeilijkheden rijzen dan hoopt hij bij den Heer May aan te mogen kloppen om raad.
Dit is een oogenblik van ernst en treurig afscheid, maar het mag ons niet weerhouden met opgewektheid voort te gaan.’

Gezien de volgende zin in de notulen wordt die raad ter harte genomen: ‘De Directeur heeft geen mededeelingen.’
May was sinds 1915 lid van het bestuur en bekleedde het voorzitterschap sinds 1928.
De notulen van de bestuursvergaderingen zijn haast nog interessanter vanwege datgene wat wordt verzwegen dan om wat er werkelijk wordt gezegd – of alleen genotuleerd…
Soms verschijnt in de notulen of jaarverslagen de uitspraak ‘gezien de tijdsomstandigheden’, maar dat is wel het uiterste waartoe men gaat.

Opmerkelijk is, dat in het handgeschreven politierapport van 15 mei 1940 valt te lezen dat Robert May zich, evenals zijn broer Paul en diens echtgenote Rosi Fuld, met behulp van vergif van het leven heeft beroofd. Dokter Delprat, zo valt te lezen, constateerde de dood in bijzijn van 2 getuigen waaronder Jimmy Post, de vriend van Robert May.
Voorstelbaar is, dat een ‘administratieve dood’ het makkelijker maakt om onzichtbaar te worden voor de Gestapo en de Amsterdamse politie, maar waarom dan nog in dienst blijven als adviseur van Alfred Flesche, Verwalter van Lippmann Rosenthal, en nadien zelfs nog enkele genotuleerde vergaderingen leiden van het Artisbestuur?

Bericht aan Charles Darwin

Geachte heer Darwin, beste Charles,

Het zal u verrassen, maar graag wil ik u laten weten, dat uw schriftelijk verzoek om informatie van 28 november 1868 gericht aan mijn voorganger, Gerard Frederik Westerman, de eerste directeur van het Koninklijk Zoölogisch Genootschap Natura Artis Magistra, nog steeds als een kostbaar kleinood wordt bewaard. Niet in Artis zelf, want voor dergelijke zeldzame documenten heeft het genootschap geen klimatologisch veilige accommodatie. Uw brief wordt dan ook bewaard in het Stadsarchief van de Gemeente Amsterdam.
Ter herinnering want de briefwisseling vond al zo’n anderhalve eeuw geleden plaats, Artis hield in die periode twee soorten pauwen, de groene Javaanse en de blauwe Indiase pauw, en u verzocht indertijd om informatie over de verschillen in spoorontwikkeling tussen beide soorten. Hierop volgde een briefwisseling tussen u en de heer Westerman van nog eens vijf brieven. Ik hoop oprecht dat u de door Artis verstrekte gegevens hebt kunnen gebruiken. Ik zou het zeer op prijs stellen als u mij vanuit het hiernamaals hierover zou kunnen berichten.
Het verzoek vervult ons nog altijd met zo veel trots, dat ik zelfs een beetje het idee heb, dat u mij de vraag persoonlijk stelde…

Met eerbiedige groet,

Maarten Th. Frankenhuis.
oud directeur Artis

Sterfte in de Oostvaardersplassen en de Serengeti; een vergelijking


Permanente sterfte – los van de sterfte door ouderdom – is onmisbaar om het ecosysteem in balans te houden. In dit verband is het interessant eens te zien wat de voornaamste doodsoorzaken zijn. De sterfte in de oneindige vlakten van Serengeti en de Mara’s wordt vooral veroorzaakt door ongevallen onder andere vertrappen in de dicht op elkaar drommende dieren bij nauwe doorgangen, bij het springen van rivieroevers en predatie door krokodillen. Maar ook fysieke uitputting van vooral zwakke jongen en oude dieren, besmettelijke ziekten (runderpest, TBC, miltvuur, parasieten) en verdrinking in de sterk stromende rivieren, die moeten worden over gestoken, eisen een aanzienlijke tol.
Door de vrijwel continue trek naar voedselrijke gebieden hebben de grote planteneters hier relatief weinig te lijden van voedselgebrek, op periodes van extreme droogte na, waarover later. Roofdieren hebben relatief weinig invloed op de omvang van de populaties grote grazers, omdat katachtige roofdieren in hoge mate territoriaal zijn en ook hun jongen nog lang hulpbehoevend.
De invloed van roofdieren op de populatiegrootte speelt eigenlijk alleen een rol van belang bij grote grazers als zebra’s, gnoes en enekele kleinere antilopensoorten, die niet meedoen aan de jaarlijkse trek. Dit laatste is het geval is in de Ngorongoro krater, een situatie waar de dieren niet kunnen ontsnappen.
Hier dus geen verliezen ten gevolge van een uitputtende trek, krokodillen, verdrinking en ongelukken, maar in dit geval reguleren de roofdieren de aantallen.
Nu en dan sterven grotere aantallen dieren ten gevolge van droogte, maar dat is zeker niet een algemeen en jaarlijks terugkerend fenomeen. Maar verhongering doordat de dieren van hun traditionele weidegronden worden verdreven door menselijke activiteit speelt in de meeste natuurgebieden bepaald wel een rol.

De Serengeti wildebeest (gnoe) populatie heeft na het stoppen van de grote runderpest epidemie eind vijftiger jaren van de vorige eeuw, een explosieve groei doorgemaakt. Tussen 1960 en 1977 werd het aantal gnoes 6 keer zo groot, van 0,25 tot 1,4 miljoen dieren met een gemiddelde van 1,3 miljoen. Onderzoekers vermoeden dat met dit aantal dieren en onder de huidige regenval de draagkracht van de vegetatie van de Serengeti haar limiet heeft bereikt. Stropen, infectieziekten en predatie door leeuwen en hyena’s kosten relatief weinig dieren het leven, maar de sterfte door verongelukken, vertrappen en verdrinken eisen een flinke tol.
De grootste verliezen vinden echter incidenteel en onregelmatig plaats ten gevolge van voedseltekorten in het droge seizoen, waarbij vooral de neonatale sterfte (0-4 mnd.) substantieel is en ook veel jongere kalveren (5-11 mnd.) omkomen. Vooral de droogte van 1993-1994 eiste een zware tol, 75% van de sterfte kon worden toegeschreven aan ondervoeding.
Sterfte onder de volwassen dieren was relatief gering en afhankelijk van de populatiedichtheid. Wel was er in periodes van voedselschaarste een afname van het aantal drachtige dieren van 95% naar 88%.
De sterfte onder de wildebeesten of gnoes betreft dus vooral de mortaliteit onder kalveren van minder dan een jaar oud, zeer jonge dieren in het bijzonder, en is de resultante van de omvang van de populatie in samenhang met de hoeveelheid regen in het droge seizoen.
Ten overvloede: Dus evenals in de Oostvaardersplassen, is ook in de Serengeti met haar grote diversiteit aan doodsoorzaken, de sterfte ten gevolge van voedseltekorten de voornaamste doodsoorzaak.
Een in mijn beleving essentieel verschil is echter dat in de Serengeti sterfte door ondervoeding nu en dan optreedt bij achterblijvende regenval in het droge seizoen, waarbij – niet belemmerd door hekken – de sterkste kalveren nog kans zien nieuwe graslanden te bereiken, terwijl in de Oostvaardersplassen gezonde volwassen dieren worden doodgehongerd achter onneembare afscheidingen.

In Memoriam NORBERT J.G. OLTHUIS

NORBERT J.G. OLTHUIS (28 februari 1925-26 augustus 2009)

De markante tekenaar/kunstschilder Norbert Olthuis is niet meer. De warme plek, die hij had veroverd in de harten van zijn familie en talloze vrienden werd wel het best gedemonstreerd tijdens de indrukwekkende opkomst op de bijzondere herdenkingsbijeenkomst op 5 oktober in de Koningszaal in Artis. Niet alleen werden veel tekeningen, schilderijen en tal van typische ‘Norbertobjecten’ geëxposeerd, ook werd ruim genoten van de voordrachten, zijn favoriete muziek en vooral Norberts Bordeaux.
Alles nog in goed overleg!

Toen hij tijdens de oorlogsjaren als leerling-metaalbewerker bij Stork in Hengelo werkte om zich aan de ‘Arbeitseinsatz’ te onttrekken zat hij daar al eindeloos te tekenen. Na de beëindiging van de bezetting werd hij door zijn hoogste baas, Charles Stork, die onder de indruk was van zijn tekentalent, ontboden. Dankzij deze weldoener kon Norbert zich in Amsterdam vestigen en een vier jarige tekenopleiding volgen.
Wat het tekenen voor hem betekende bracht hij als volgt onder woorden: ‘Als je kind bent komt dat kunnen tekenen ineens in je. Als je ouder wordt zoals bij mij verdwijnt het uit je. Dan heb je het gehad. Ik was toen tachtig jaar.’ Met tekenen moet je elke dag oefenen, zoals je een instrument leert bespelen of leert schrijven. Het vereist discipline om elke dag te fiedelen of de juiste woorden vinden of al tekenend heel losjes iets op papier te krijgen. Soms zei ik:’Ik ben dankbaar dat dit mocht gebeuren deze dag. Soms was het een blijmakende strijd.’

In de jaren 1969 -1981 was hij lector, docent tekenen aan de Rijksakademie van Beeldende Kunsten te Amsterdam. Het stopzetten van de traditionele klassieke opleiding betekende voor de vele vakbekwame docenten, onder wie Norbert, een definitief einde van het dienstverband. Hij stond voor zijn principes.
Voor zover bekend heeft hij nooit officieel geëxposeerd, waardoor hij ook geen naam als kunstenaar heeft kunnen en misschien ook niet heeft willen maken. Niettemin is werk van hem opgenomen in de collecties van het Teylers-museum in Haarlem, het Henriëtte Polak-Museum in Zutphen en het Prentenkabinet van het Rijksmuseum te Amsterdam. Kunst was in zijn ogen gedegradeerd tot een cultuurindustrie met kunstenaars als ondernemers. Hij fulmineerde tegen hun onderlinge strijd en het dominante marktgerichte denken.

De kunstschilder Norbert Olthuis was een zeer begenadigd tekenaar.
Naast tekeningen van bijvoorbeeld circusdieren, maakte hij prachtige portrettekeningen. Voor hem bestond er geen scheiding tussen figuratie of abstractie. Hij had een feilloos oog voor de betrekkelijkheid der dingen.
Een andere kant van zijn werk en zijn persoonlijkheid was humor en gevoel voor het absurde. Vanuit die gemoedsgesteldheid, heeft hij zijn leven lang spelenderwijs artefacten gemaakt uit alledaagse voorwerpen.
Als docent aan de Rijksacademie, waar hij zelf in 1957 afstudeerde, heeft hij van 1970 tot 1982 met hart en ziel jonge mensen begeleid in het voorbereidende jaar op weg naar het kunstenaarschap.

Kenners, die werk van Olthuis voor hun instellingen hebben verworven, stellen:
‘In zijn razendsnel neergeschreven studies van dieren heeft hij de kunst van het weglaten, de weergave van het ene, essentiële moment, tot grote hoogte opgevoerd.
Geheel anders van aard, maar niet minder aantrekkelijk, zijn Olthuis’ monumentale, bezonken landschapstekeningen.’

Marijn Schapelhouman (senior conservator tekeningen, Rijksprentenkabinet, Amsterdam)

‘Liefde voor het tekenen en voor de mogelijkheden van het tekenmateriaal straalt van zijn werk af.
Olthuis vertelde ons meeslepend over een krachtige zwarte krijt schets van een circuspaard die onze speciale aandacht trok en schreef spontaan op de achterzijde: EEN PAARD HEEFT POTEN. GEWELDIG!
Er zijn veel kunstenaars die proberen de essentie van hun onderwerp in een snelle schets te vatten, maar zoals Olthuis dat klaarspeelt, zijn er maar weinigen.’

Frank van der Velden (conservator kunsttentoonstellingen Teylers Museum, Haarlem)

‘Norbert Olthuis is één van de weinige kunstenaars in Nederland, die de traditie van de schilder- en tekenkunst voortzet.
Met veel vakkennis weet hij karakteristieken van zijn modellen te typeren en het lukt hem fabuleus goed om dieren, die volop in beweging zijn, op het platte vlak te fixeren.’

Lies Netel (conservator Museum Henriette Polak, Zutphen)

Norbert was een eigenzinnige persoonlijkheid, een non-conformist, soms tegendraads tot in het absurde, maar daardoor ook uniek. Op verzoek gaf hij optredens over de grootst denkbare onzin en de merkwaardigste situaties. Toen hij in 1957 enkele maanden met een ezeltje door Griekenland dwaalde weigerde het dier om op de over een ravijn aangelegde Baileybrug te lopen. Eerst bond hij het dier bij de kop aan de leuning vast, duwde het vervolgens met het achterwerk voorwaarts, maakte de achterpoten vast en de voorkant weer los, herhaalde dit eindeloos tot hij de overkant bereikte. Over deze tocht schreef Mary Renault in haar boek The King must die (1958).

Bijna vijftig jaar woonde en werkte hij in zijn atelierwoning aan de Lauriergracht nr.6. een beperkte ruimte waarin ten tijde van zijn overlijden zich voldoende tekeningen, boeken, schilderijen, objecten en meubels hadden verzameld om meerde ateliers te vullen.
De vele voorwerpen in zijn atelier getuigen van een grote originaliteit en vindingrijkheid. Behalve het bakken van voortreffelijke biefstukken was koken niet aan hem besteed. Daarom at hij meestal uit blik. De conservenblikken werden plat geslagen en in katernen als een boek met een iets ruimer plat geslagen blik als omslag gebundeld. Zo ontstond een reeks metalen boeken over zijn eetgeschiedenis met op de rug de titel ‘Koken uit Blik’, waarbij vermelding van het deelnummer en datum.
Op een van zijn tafels stond een stapel gedeformeerd gereedschap, voornamelijk hamers, waarbij drie hamerkoppen op een steel (je slaat nooit mis) en een toren van aan elkaar gekoppelde driewegstekkers. En niet te vergeten een collage van allerlei aan elkaar gemonteerde tangen van een angstaanjagende schoonheid, een indrukwekkende collectie doosjes met afgebrande lucifers, sculpturen van lege sardineblikjes, mosselschelpen en natuurlijk het oerwoud van gedroogde sinaasappelschillen boven de kachel, geflankeerd door tal van ijzeren voorwerpen waarbij hoefijzers en paardenbitten de hoofdmoot vormden.

Als de stad hem te druk werd trok hij zich terug in zijn zeer primitieve behuizing, een gammel keetje in de bossen bij Delden. De afbeeldingen hiervan staan vermeld in het boekje Cabin Fever, van Marie-France Boyer (1993, p. 48-51) en later nog in het tijdschrift World of Interiors. Een kloon van zijn Amsterdamse atelier, maar dan met uitzicht over maïsvelden, houtwallen en een weiland met Friese paarden. Binnen natuurlijk vol gereedschap en typische ‘Norbertobjecten’, buiten een tableau van lege flessen, ooit gevuld met zijn favoriete Bordeaux.

Met zijn lange grijze haren en sobere kleding was hij tijdens zijn wandelingen door de binnenstad voor velen een herkenbare verschijning. Hij leefde extreem sober, gaf zelden iets voor zichzelf uit en had een zwakte voor charitatieve instellingen, voor hulp aan mensen in nood. Hij benoemde geheel in lijn hiermee dan ook het KWF Kankerbestrijding, Artsen zonder Grenzen en Vluchtelingenwerk Nederland tot zijn enige erfgenamen. Maar ook tijdens zijn turbulente leven schonk hij ruimhartig aan het Leger des Heils en vele andere goede doelen.
De familie, zijn vele vrienden en de Jordaan verloren een markante verschijning en een bijzonder vriend en kunstenaar.

Maarten Frankenhuis en Leo Ikelaar

Uit het verslag over de genootschapsjaren 1943/44, 1944/45, 1945/46 en 1946/47

In de eerste vergadering van het Bestuur, gehouden na de bevrijding, werd de Heer Robert May, die gedurende een lange reeks van jaren, eerst als lid, spoedig als secretaris en tenslotte als voorzitter van het Bestuur, zoo heel veel voor het Genootschap gedaan heeft en die in October 1940 gemeend heeft in het belang van het Genootschap uit het Bestuur te moeten treden, tot buitengewoon bestuurder benoemd. (MF: in het belang van het Genootschap? Was het ook nu nog nodig om de zaken niet bij naam te noemen?)
Overigens kwamen mutaties onder de leden van het Bestuur van het Genootschap in engeren zin in de genootschapsjaren 1943/44, 1944/45, 1945/ 46 en 1946/47 niet voor.
Na den oorlog werd de Heer Ed. Polak tot Gedelegeerde met adviseerende stem van de Provincie Noordholland bij het Bestuur van het Genootschap benoemd, welke functie de Heer Polak ook reeds voor het uitbreken van den oorlog bekleed had en welke hij bleef bekleeden tot en met het eerste halfjaar van het genootschapsjaar 1946/47, waarna de Heer A.B.J. Prakken als Gedelegeerde van de Provincie Noordholland in de plaats trad van den Haar Polak. Ik mag en wil niet nalaten hier een woord van oprechten dank in te voegen aan het adres van den Heer Polak, die steeds een groote en daadwerkelijke belangstelling voor ons Genootschap betoonde en die ons Genootschap herhaaldelijk met zijn op grond zijner groote ervaring zoo waardevolle adviezen ter zijde stond. Als vertegenwoordigers der Gemeente Amsterdam in het Bestuur van het Genootschap werden na den oorlog aangewezen de wethouders Mr. A .de Roos en Mr. F.H.C. van Wijck.

Groote voldoening heeft het gegeven, dat het, ondanks den sedert het voorjaar van 1943 door den bezetter daartoe op, ons Genootschap uitgeoefenden, vaak zeer sterken druk mogelijk geweest is te verhoeden, dat ook maar één lid van het personeel van het Genootschap voor den zg. Arbeits-einsatz naar Duitschland ging.
Een tweede reden tot voldoening is gelegen in het feit, dat het ons ook gedurende den hongerwinter mogelijk geweest is al onzen dieren, zelfs den vleescheters, voldoende voedsel te verstrekken. In verband hiermede wil ik hier gaarne uitdrukking geven aan onze dankbaarheid t.o.v. de verschillende ambtenaren van het Rijksbureau voor Voedselvoorziening in Oorlogstijd, Sectie Bijzondere Diergroepen, met wie van den aanvang af door het Genootschap op de meest prettige wijze werd samengewerkt, waardoor een wederzijdsch vertrouwen ontstond, dat in hooge mate aan de voedselvoorziening onzer dieren ten goede gekomen is. Onmiddellijk na de bevrijding was het aan de medewerking der geallieerde militairen te danken, dat in de vleeschbehoefte der roofdieren van het Genootschap steeds voorzien kon worden, zij het dan ook vaak langs ingewikkelde en avontuurlijke wegen.
Een derde reden tot dankbaarheid is gelegen in het feit, dat de circulatie in het aquarium nimmer stilgestaan heeft, waardoor de kostbare verzameling visschen, waaronder exemplaren, die reeds tientallen jaren in het aquarium leven, behouden is gebleven. Door de directie van het Gemeentelijk Energiebedrijf werd aan ons aquarium tot tegen het einde van den oorlog toe electrischen stroom geleverd, ondanks het feit, dat dit uitdrukkelijk door den bezetter verboden was. Ondertusschen werd met behulp van ambtenaren der Gemeente Amsterdam een reserve-benzinemotor-installatie voor de circulatie-pompen in het aquarium aangelegd, terwijl in den tuin van het Genootschap vaten benzine begraven werden. Merkwaardigerwijs was deze hoeveelheid benzine juist voldoende om de circulatie in het aquarium gaande te houden, vanaf het moment, dat geen electrische stroom meer geleverd werd tot aan het ogenblik, waarop door de eerste geallieerde militairen, die Amsterdam bereikten, een verdere voorraad benzine aan het aquarium geschonken kon worden.
En tenslotte is er dan nog een vierde reden tot dankbaarheid. In den tijd der razzia’s door den bezetter op jonge mannen, overnachtten niet alleen vele jonge werknemers van het Genootschap in een daartoe achter een loozen wand op een der voorraadzolders van “Artis” ingericht, van electrisch licht en radio voorzien slaapverblijf; ook vele tientallen jeugdige Amsterdammers, die niet bij “Artis” in dienst waren, kwamen dagelijks tegen den avond naar “Artis” en overnachtten daar in het hooi van de hooizolders, in de runderstallen en op nog vele andere plaatsen. Ook in verband met het feit, dat laatstbedoelde categorie logé’s zich niet altijd even bescheiden gedroeg, geeft het zeker wel reden tot dankbaarheid, dat in deze aangelegenheid loslippigheid of verraad nimmer tot kwade gevolgen voor het Genootschap aanleiding gegeven hebben.
Wanneer wij bedenken, dat sedert het uitbreken van den wereldoorlog in 1939 tot geruimen tijd na het einde van den oorlog geen dieren vanuit het buitenland naar “Artis” aangevoerd konden worden, dan behoeft het geen verwondering te wekken, dat de levende have tegen en na het einde van den oorlog verschillende belangrijke lacunes vertoonde. Het geeft eerder reden tot dankbaarheid, dat het ons mogelijk geweest is zooveel dieren veilig door den oorlog te brengen.
In het genootschapsjaar 1944/45 was het mogelijk alle dieren van den voormaligen Haagschen Dierentuin, waaronder een fraaie vrouwelijke olifant, een aantal bruine beren, een panter enz., enz., over te nemen, welke dieren reeds eenigen tijd in den tuin van het Genootschap in dépôt waren. In het genootschapsjaar 1945/46 werden op aandringen der Nederlandsche Vereeniging tot Bescherming van Dieren te den Haag door ons verscheidene dieren, waaronder twee leeuwinnen, een panter, een kameel, een dingo en een gevlekte hyaena, die in Duitschland onder ongunstige omstandigheden verkeerden en daar door Nederlandsche militairen waren weggehaald, ten geschenke aangenomen.”

Een bijzonder geschenk

Bij onderzoek in de Artisarchieven werd een aardige vondst gedaan.
In het verslagjaar 1937/1938 werden – zoals altijd – ook nu weer vele geschenken ontvangen, waaronder een wild zwijn van Z.K.H. Prins Bernhard en van Mej.F.S.Heubel, tijdelijk Tandjong Xarang, Zuid-Sumatra: l Javaanschen neushoornvogel, l Indischen ruigpoothavik, l Maleischen beer, 2 Quarles’ anoa’s, l siamang, 2 pythons, 2 argusfazanten, 2 edelfazanten’.
Mej. Heubel studeerde biologie, heeft nog korte tijd bij Artis gewerkt en trad op 21 december 1940 in het huwelijk met de beruchte oorlogsmisdadiger Mr. M.M. Rost van Tonningen, een fanatieke antisemiet en nationaal-socialist, en bijzondere vertrouweling van Himmler.

Artis en haar onderduikers

Vergeleken met andere Nederlandse dierentuinen, is Artis er bij de Duitse overval goed vanaf gekomen. Het park is, op één enkele dag na, de gehele oorlog open gebleven en mocht zich in een grote belangstelling verheugen, zowel van de Duitse bezetter als van de Amsterdammers en de onderduikers uit hun midden.
Op het Artisterrein waren op hetzelfde tijdstip – vooral ’s nachts – soms wel enkele tientallen onderduikers aanwezig. Geschat wordt dat in totaal zo’n 250 tot 300 mensen een of meerdere dagen bleven. Niemand wist precies hoeveel.
Het betrof vooral jonge mannen, die probeerden te ontkomen aan de Arbeitseinsatz, de gedwongen tewerkstelling in Duitsland. Maar daarnaast vonden vele joodse inwoners van Amsterdam er een veilige vluchthaven. Volgens de verhalen hebben er op het eind van de oorlog nog enkele geallieerde piloten onderdak gevonden en zelfs eens een Duitse deserteur.
Er werd om redenen van veiligheid natuurlijk ook nooit over de onderduikers gesproken. Voor sommige van hen was het na de oorlog een verrassing te horen, dat een goede vriend of vriendin slechts enkele stallen verder had gebivakkeerd.
Enkele onderduikers bleven zelfs jaren, zoals mevrouw Van den Brink, die door de Artismedewerkers Jonker en Rozendaal werd verzorgd en die overdag zonder ster in de tuin liep om hier en daar een praatje te maken.
Als de situatie voor haar gevaarlijk werd, vroeg zij oppassers haar op te bergen. Deze zetten haar dan een tijd in een leeg apen-nachtverblijf. Als de kust veilig was, werd ze er weer uit gehaald.
Directeur dr. Armand Sunier zweeg, wist alles, maar manoeuvreerde uiterst deskundig door dit riskante mijnenveld.

Naast de moeite die Sunier moest doen om de dieren voor de tuin te behouden, heeft hij zich enorm ingezet zijn personeel voor deportatie te behoeden. Een kwestie die vooral in 1943 speelde, toen de Duitsers overal jonge mannen oppakten voor de Arbeiteinsatz.
Achteraf gezien is onbegrijpelijk wat Sunier voor zijn personeel voor elkaar kreeg. Na de bevrijding schreef Sunier: “Grote voldoening heeft het gegeven, dat het, ondanks den sedert het voorjaar 1943 door den bezetter daartoe op ons Genootschap uitgeoefende, vaak zeer sterke, druk mogelijk is geweest te verhoeden dat ook maar één lid van het personeel van het Genootschap voor de z.g. Arbeitseinsatz naar Duitsland ging.”

Naast het succesvolle verzet van Sunier tegen het wegvoeren van jonge mannelijke personeelsleden voor de Arbeiteinsatz, moest hij nog meer problemen voor zijn personeel oplossen.
Zo kon het gebeuren dat op een ochtend in januari 1942 Sunier’s secretaresse, mej. W. Pelt en mej. N. Scheffer, de bibliothecaresse niet kwamen opdagen. Zij waren met enkele huisgenoten opgepakt. In hun huis was anti-Duitse propaganda aangetroffen.
Sunier echter was al bij de gevangeniscommandant op het kantoor geweest, nog voordat de dames voor verhoor werden voorgeleid. Mej. Pelt vertelt in een interview: “Toen ik werd binnengeleid, zag ik het kaartje van Sunier al op het bureau van die Duitser liggen.”
Na korte tijd wist Sunier eerst mej. Pelt en later mej. Scheffer vrij te krijgen.
(Roel Twijnstra, interview met mevrouw W.G. Pelt, oud directiesecretaresse Artis)

Sunier zorgde er ook voor dat zijn personeel van de nodige papieren werd voorzien, zodat ze hun werkzaamheden zo onbelemmerd mogelijk konden uitvoeren. Als er geen speciale vergunningen te krijgen waren, maakte Sunier ze zelf onder het motto: “Als er maar een stempel op staat, maakt het indruk genoeg .”

Maar dat het niet altijd zo eenvoudig was blijkt wel uit het voorval uit de winter van 1943. In de ochtend van de 16e februari belde dr. Schröder, ‘Beaufträger für die Stadt Amsterdam’ inzake de Arbeitseinsatz, Sunier op met de mededeling dat hij een aantal personeelsleden zal moeten gaan missen ten behoeve van de Arbeitseinsatz. In een schrijven van Sunier aan Schröder, gedateerd op dezelfde dag, schrijft Sunier, na uitvoerig de geschiedenis en het belang van Artis uiteen gezet te hebben: “Ich brauche Ihnen nicht zu sagen, dass alle Angestellten in einem zoologischen Garten nicht nur eine besondere Ausbildung empfangen mussen, sondern auch eine für Tierpflege geeignete Anlage aufweisen mussen, so dass es immer sehr schwierig ist, irgend einen Angestellten in einem zoologischen Garten durch eine neue geeignete Arbeitskraft zu ersetzen. Seit Jahren werden von uns bloss vierzehnjährige, ausgewählte Knaben auf Probe in Dienst genommen, oft aus dem Bauernstand.
Innen als Deutschen brauche ich die Bedeutung eines wirklichen zoologischen Gartens als Erziehungsanstalt fürdas ganze Volk wohl nicht klarzumachen, besonders nicht, wenn der zoologischen Garten eine rein-kulturelle, nicht kommerzielle, bloss mit naturwiseenschaftlichen und erzieherischen Absichten geleitete Anstalt ist.
Zusammenfassend möchte ich also sagen, dass erstens jetzt die Angestelltenschaft unserer Gesellschaft zu klein ist, zweitens neue, geeignete Arbeitskrafte für einen wirklichen zoologischen Garten schwer zu bekommen und einer tüchtigen und sich über langere Zeit erstreckenden Ausbildung bedurftig sind. Auf Grund dieser beiden Tatssachen und angesichts der erzieherischen Bedeutung eines zoologischen Gartens hoffe ich, dass es Ihnen geeignet vorkommen wird, dass keine Angestellten unserer Gesellschaft zum Abzug vorgeschlagen werden.”

Naar aan leiding van de voorgaande brief aan Beauftragter Schröder van 16 februari 1943 schrijft Sunier op de 18e aan de toenmalige burgermeester E. J. Voûte: “Natuurlijk houd ik mijn menschen liever hier en blijven zij zelf ook liever in hun eigen milieu; hetgeen ik schreef over ons tekort aan werkkrachten en betreffende het feit, dat men in een dierentuin niet iedereen gebruiken kan, is echter eerlijk waar en wettigt mijns insziens volkomen het hier bij ons niet weghalen van werkkrachten.”

Uit de bestuursnotulen van 4 mei 1943 blijkt dat oorspronkelijk dertien leden van het personeel voor tewerkstelling in Duitsland waren aangewezen. Hoewel veel van deze personeelsleden al een schriftelijke aankondiging van hun komende vertrek naar Duitsland in huis hadden, schakelde Sunier direct de directeur van het gewestelijk arbeidsbureau de heer J.J.M. Deley in. Schröder was voor bepaalde tijd het land uit en Deley werd zo bewerkt, dat hij uitstel gaf voor het vertrek van de 13 personeelsleden tot zijn baas Schröder terug zou komen.Op 5 april 1943 ontving Sunier een kort schrijven van een ondergeschikte van Schröder, de heer Rodergo: “Ihr Schrb. v. 2.4.43 habe ich erhalten. Ich kann Innen leider die Krafte nicht freistellen. Sie mussen damit rechnen, dass noch mehrere Krafte abgezogen werden.”
Sunier liet het er niet bij en liep weer alle instanties af.
Mevrouw Sunier-Beijer vertelt na de oorlog: “Achteraf hoorde ik dan waar hij geweest was, en dan nog zat ik vaak in angst, hij ging naar de meest ergste Duitsers die er maar waren, daar stapte hij zo naar binnen.”

Uiteindelijk werd de lijst van dertien terug gebracht tot twee personeelsleden. Deze twee, Cornelis van Geem en Theodorus A. Poelwijk, waren pas sinds januari, resp. februari 1942 in dienst, vandaar dat onvervangbaarheid moeilijk aantoonbaar was, op grond van ervaring.
Toch wordt deze gedeeltelijke vrijstelling van de elf aangewezen personeelsleden terug gedraaid. Op 11 juni 1943 werd zes personeelsleden alsnog opgedragen naar Duitsland te vertrekken.
Op 11 juni 1943 krijgt Sunier een schrijven uit Den Haag van “der General Kommisar für Finanz und Wirtschaft”: “Die Bedeutung Ihres Gartens als erzieherische Anstalt für das Volk wird auch von mir durchaus anerkannt. Ich glaube aber doch, dass Sie von Ihrem zahlreichen Personal 6 Leute entbehren können ohne in ernsthafte Schwierigkeiten zu kommen und bedaure daher Ihren Antrag auf Freistellung für die 6 von Urnen aufgezeigten Leute ablehen zu mussen.”
De zes personeelsleden doken op tijd onder.
(Roel Twijnstra, op basis van aangehaalde brieven e.d. in het bezit van en interviews met mevrouw Sunier-Beijer te Baarn)

De heer J. Rozendaal (gepensioneerd oppasser) zegt over Sunier: “En weet u wat nu zo mooi van die man is, hij heeft gevochten als een leeuw om ons uit Duitsland te houden.”
(Roel Twijnstra, interview met de heer J. Rozendaal, Amsterdam 1979)
Om het plaatje te completeren, aan het begin van de oorlog werd de heer Stokhof (metselaar, lid van het personeel van Artis) als krijgsgevangene naar Duitsland afgevoerd. Pas na de oorlog kwam hij terug in Nederland. (Roel Twijnstra, interview met de heer J.W. Overgoor, oud adjunct-directeur Artis)

Op de een of ander manier leek toch iedereen in Artis, legaal werkzaam of ondergedoken, aan zijn trekken te komen, doordat hij in bepaalde circuits van medewerkers verkeerde dan wel dat er mensen voor hem of haar zorgden.
Alleen Dr. Sunier die, bijgestaan door Jan Overgoor, min of meer in zijn eentje de tuin tegenover de bezetter overeind moest houden, viel vanwege zijn positie buiten deze informele distributiekanalen.
Roerend is dan ook te horen in afgenomen interviews, dat het hem tijdens zijn dagelijkse rondes, in de keuken van het Apenhuis of Vogelhuis wel eens te machtig werd. De verzorgers gingen dan kies huns weegs naar hun dieren om hun zo zeer bewonderde en vermagerde directeur even zijn gang te laten gaan met de gereedstaande gamel met voedsel voor apen, vogels en nog enkele veeleisende Artisbewoners.

Dat het slechts bij enkele aanvaringen met de bezetter gebleven is, wekt verbazing gezien de omstandigheid, dat drie Artismedewerkers niet konden worden vertrouwd. Een kantoorklerk sympathiseerde op relatief ongevaarlijke wijze met de bezetter, maar voor de pachter van het restaurant was het oppassen geblazen. Eén medewerker ging in Duitse krijgsdienst naar het Oostfront. Vóór zijn vertrek had hij zijn collega’s nog toegevoegd: “Ik verraad jullie echt niet!”
Hij bleef in het land van zijn keuze.

In het vlakbij gelegen Koloniaal Instituut, nu Koninklijk Instituut voor de Tropen, was het hoofdkwartier van de beruchte Grüne Polizei gevestigd, zetelde een Duitse rechtbank en werden doodvonnissen uitgesproken.
Een geraffineerd waarschuwingssysteem via de portiers zorgde er voor, dat Duitse troepen, de Grüne Polizei en collaborerende landwachters uitsluitend nog zogenaamde Ariërs in de tuin aantroffen. Het mannelijk deel had vanzelfsprekend de leeftijd voor de Arbeitseinsatz nog niet bereikt of was deze reeds gepasseerd. De rest zat verborgen op de meest uiteenlopende schuilplaatsen.

Treffend in dit verband is het gedicht ‘Onderduiker in Artis’ van Chris van Geel (gedichtenbundel: ‘Spinroc en andere verzen’, 1958).

De smalle man in zwarte jas
loopt langs de kooien, gaat in ’t gras
bedeesd staan naast de pelikaan,
de ooievaar, de maraboe.
Zijn jas knoopt hij tersluiks stijf toe.

Hij kijkt niet meer hoe laat het is.
Hij wacht op het etenreikend kind
dat aandacht veinzend voor de dieren
hem in het Nijldal vindt bij vieren.
’t Is Mozes uur’. Hij is gevonden.
Het brengt hem bieten in een pan.
Het Entrepotdok fluit.
Hij schrikt ervan.

Het was zelfs oppassen geblazen met Duitse ‘collega directeuren’.
Zo schreef de directeur van de Frankfurter Zoo aan Dr. Armand Sunier in 1943: ‘Hierbij deel ik U mede dat ik graag een aantal oppassers van U wil ophalen. Bij mijn laatste bezoek aan Uw dierentuin Artis, viel het mij op dat U zoveel weldoorvoede oppassers in de tuin heeft lopen, terwijl wij onze jonge mannen allemaal moeten afstaan aan het leger.”
Zoals zo veel ‘aanvallen’ op zijn tuin, wist Sunier ook deze met succes te pareren.

Ten slotte mag nog wel eens duidelijk worden genoemd, dat Artis tijdens de oorlogsjaren zeer veel heeft betekend voor de stad. In de eerste plaats voor de Artismedewerkers en hun families, die juist door die extra rantsoenen en de veilige schuilmogelijkheden voor hongerdood en dwangarbeid werden behoed. Maar ook voor de joodse onderduikers, die door hun onderduik in dierverblijven en andere Artisgebouwen aan een wisse dood konden ontsnappen. Ten slotte, ook voor honderdduizenden Amsterdammers, die in Artis in de oorlogsjaren nog enige verpozing vonden in de lommerrijke rust, betekende hun dierentuin een oase in een stad vol dreiging, vervolging, honger en geweld.
Misschien is de uitspraak in het Jaarverslag van de Gemeente Amsterdam van 1945 in deze nog het meest overtuigend: “Toen het materieele bestaan op den achtergrond geraakte oefenden slechts geestelijke interessen, van welken aard ook, een remmende werking uit op de demoralisatie. Velen zochten en vonden verpoozing en afleiding in een bezoek aan Artis.”

Artis bevrijd

Na de bevrijding van Nederland – mei 1945 – volgde, na een periode van voorzichtig herstel van de hoofdstedelijke dierentuin Artis, de overgang van ‘postzegelverzameling’ naar moderne dierentuin. Een instituut waarin wetenschappelijk begeleide fokprogramma’s, het instandhouden van beschermde diersoorten, natuurbescherming, educatie en onderzoek, maar ook dierenwelzijn en ethiek geleidelijk aan meer aandacht kregen. Een andere manier van denken over dierentuinen.
Het dierenbestand werd weer op peil gebracht, onder andere door de Joodse fabrikant Bernard van Leer die ‘altijd goede herinneringen’ aan Artis had.
Volgens ooggetuigen: “de giraffennekken staken uit het schip de ‘Nijkerk’, die de nieuwe dieren vanuit Zuid-Afrika naar Artis had gebracht. Een wel heel bijzondere geste om dankbaarheid te uiten.”

Drs. Jan Overgoor, oud-directielid Artis van 1938-1977, meldde ter aanvulling: “Op een zondagmorgen in 1947 werden Sunier en ik op het kantoor van Artis verwacht. Bernard van Leer verscheen daar ook. Het was de eigenaar van het wereldbekende olievatenconcern. Hij kwam Artis een geschenk aanbieden. Het bleek een gift van ca. honderdduizend gulden (in huidige waarde wel een miljoen gulden). Voor dit bedrag moesten dieren worden aangeschaft. De collectie in Artis was inderdaad aardig uitgedund door de voorgaande woelige jaren. Die gift was uiteraard zeer welkom. Maar het bijzondere er aan was de reden waarom de heer Van Leer dit deed. Hij vertelde dat hij als jonge jongen, zeg maar jongetje, veelvuldig Artis bezocht. En bij die bezoeken vroeg hij honderduit over de dieren aan de oppassers en andere medewerkers van Artis. Geen moeite was hen te veel om zijn vragen te beantwoorden en toe te lichten. Het resultaat na veertig, vijftig jaar was dit voortreffelijke geschenk.
Een en ander maakte diepe indruk op ons.”

Bernard van Leer had grote belangstelling voor dieren en bezat zelfs nog enige tijd een eigen cirkus: De Meijer, een naaste medewerker van Van Leer schreef later in een brief aan de zoon van Bernard, Wim van Leer: ‘Je vader zat graag op zijn eentje in Artis. Kort na de bevrijding gingen we er samen heen om te ontdekken, dat Artis vrijwel verlaten was. “Zoek Portielje eens op, ik heb nog met ‘m in de klas gezeten…”. Portielje bleek alweer telefoon te hebben. “Portielje, hier Bernard van Leer. Wil je een olifant van me hebben?” Alles draaide uit op een vrachtboot van de Mij. Nederland, van binnen ingericht door Artis. In Zuid-Afrika hadden de heren van Metal Containers goede contacten. En het geheel kwam onder leiding van je oom Munt.” “Munt zal daar plezier in hebben, De Meijer, let op,” zei je vader. “Er moet een orang utan bij zijn, nee twee, jij en ik. En er moet ook een papegaai bij, die mij leert kennen en “rotzak” tegen me roept.” (De vatenman, Pauline Micheels; Uitg. Contact, 2002).

Na de oorlog kwam het contact tussen de dierentuinen geleidelijk weer opgang.
In de oorlog kon er hooguit contact plaatsvinden met Nederlandse en Duitse collega’s. Op een geval na zo blijkt uit een brief van Sunier aan zijn Londense collega Huxley in 1945:
“Wat heerlijk om weer een teken van leven te horen, nadat ik had gehoord dat je de Zoo had verlaten. Op afstand heb ik jou gehoord, wanneer ik met mijn hoofd in de kast naar de illegale radio aan het luisteren was.”

De veelal door het oorlogsgeweld geteisterde dierentuinen probeerden hun gedecimeerd dierenbestand weer op peil te brengen en een omvangrijke onderlinge ruilhandel begon.
De dierenhandel floreerde welig.
Het internationale verbond van dierentuindirecteuren kwam in 1946 voor het eerst weer bij elkaar in Antwerpen.
De Duitsers werden hierbij niet uitgenodigd.