Erotiek en vreemdgaan

Vrouwelijk naakt; Norbert Olthuis

Vrouwelijk naakt; Norbert Olthuis

Alle vrouwelijke zoogdieren verraden zich in de vruchtbare dagen van de ovulatoire cyclus door vaak opdringerig seksueel gedrag, soms gezwollen en rood gekleurde achterwerken en altijd opwindende geuren. Een beter verborgen ovulatie dan bij de meeste zoogdieren, dat wel, maar helemaal verborgen gaat het grote gebeuren niet voorbij. De mensenvrouw manifesteert zich anders: in de dagen rond de eisprong wordt er meer geflirt, is de frequentie van het stemgeluid hoger en meer sexy, vinden er meer buitenechtelijke escapades plaats en wordt meer bloot getoond, dat wil zeggen: het decolleté verschuift in zuidelijke richting en de rokzoom noordwaarts. Recent onderzoek liet tevens zien, dat rond de vruchtbare dagen door vrouwen het meer prikkelende rood en roze werd gedragen. De ovulatie van mensenvrouwen is dus toch niet zo verborgen als vroeger altijd werd verondersteld.

Vreemdgaan lijkt zo vreemd niet meer. Darwin beweerde al in zijn ‘ Origin of Species’ dat polygamie – het hebben van meer dan één seksuele partner goed is voor de evolutie van de soort. En dat we dus niet van nature bestemd zijn voor het hebben van slechts één partner. Dus evolutionair heb je als vreemdganger gelijk, ook al zegt onze kultuur dat je fout zit. De psycholoog Henk Noort onderzocht 1700 heteroseksuele mannen en vrouwen tussen 20 en 45 jaar. Uit dit onderzoek blijkt dat 25 procent van de Nederlanders vreemdgaat. Dat lijkt aan de lage kant; uit het jaarlijkse seksonderzoek van Durex blijkt dat 31 procent van de Nederlanders vreemdgaat. Diverse grote DNA-onderzoeken hebben aangetoond dat er alleen al in Nederland 1.600.000 mensen moeten rondlopen die buitenechtelijk zijn verwekt. In Nederland zegt 15 procent van de mensen weleens seks te hebben gehad met een collega. Hoewel overspel veel voorkomt, wijst meer dan 90 procent van alle mensen vreemdgaan af… (zie ook http://www.mandala.be/partnerrelatie/vreemdgangers.html en http://www.vreemdgaan-overspel.nl/feiten.html)

Opwindende c.q. aanstootgevende roodgezwollen bipsen of nymfomaan gedrag en onstuimige geuren of feromonen lijken voor mensenmannen niet waarneembaar. Alhoewel, vrouwelijke lapdancers scoorden aanmerkelijk hogere fooien tijdens hun vruchtbare dagen dan in de resterende weken van de ovulatoire cyclus. Mannen geven sneller geld uit, ontdekten onderzoekers van de universiteit van Stanford, als ze prikkelende foto’s gezien hebben van sexy vrouwen. De mannen kregen eerst de erotische foto’s te zien en mochten daarna gaan gokken in een casino. De mannen zetten daar grotere bedragen in dan ze anders zouden doen. “Op het eerste gezicht lijken de twee niets met elkaar te maken te hebben,” zegt psycholoog Brian Knutson. “Maar niets is minder waar. Een casino is er op gebouwd om bepaalde prikkels in de hersenen te stimuleren. Er is fel licht, drank in overvloed en iedereen is piekfijn uitgedost. Dit moedigt aan om meer risico’s te nemen.”

Omdat mannen, evenals de meeste mannelijke dieren trouwens, altijd wel belangstelling hebben voor het bedrijven van de liefde, seks dus, zijn ze gedwongen om in de buurt van hun partner te blijven om te verhinderen dat een ander zijn wellustige slag slaat, toevallig in haar vruchtbare periode. Bovendien, omdat bij onze soort ook de vrouwelijke sekse het gehele jaar door seksueel belangstellend is – op een enkel geval van hoofdpijn na natuurlijk – heeft seks een versterkende invloed op de onderlinge band. In dat kader is het voor de vrouw ook van belang om altijd, dan wel zo lang mogelijk seksueel aantrekkelijk te blijven. Daarom worden jaarlijks fortuinen uitgegeven aan het ‘ontgrijzen, liften, sucken, botoxen’ en een machtige arsenaal aan alles camouflerende lingerie en make-up. Vrouwen willen continu aantrekkelijk zijn en ontvankelijk lijken.

Mannen willen kost wat kost voorkomen dat zij investeren in de verzorging aan de genen van een andere man. Uit onderzoek blijkt dan ook, dat in het algemeen mannen jaloers zijn bij de gedachte dat hun vrouw seks heeft met een andere man, terwijl vrouwen juist jaloers zijn als hun man zich ten opzichte van een andere vrouw verzorgend opstelt.

Bijzonder dat de hoeveelheid geëxposeerd bloot een relatie heeft met de economische situatie. De Amerikaanse student George Tayler was het in 1929 al opgevallen dat de economische recessie de rokzoom deed zakken tot op de enkels en sombere donkere kleuren de overhand kregen in de kledingrekken van de modehuizen. Opvallend verder dat in de zefde economische malaise de verkoop laxeermiddelen, chocolade en deodorants een hoogtepunt beleefden. De playmates uit het bekende mannenblad werden gemiddeld 4 jaar ouder en hun borsten kleiner; mannen grepen na het verlies van hun baan sneller naar de fles en vrouwen aten hun zorgen weg, werden dientengevolge dikker, en bleken vatbaarder voor psychische stoornissen; criminaliteit en moorden namen ‘vanzelfsprekend’ toe. Toen in de tweede helft van het decennium de beurzen uit het dal klommen ging ook de rokzoom omhoog en hingen de kledingrekken weer vol vrolijke kleurtjes. (Bron: Delta Lloyd Magazine, juni 2013)

Leven op grote hoogte

Tibetaanse hooglander

Tibetaanse hooglander

Al in de buurt van de 3000 meter maakt u, vanwege de lage zuurstofspanning aldaar, een gerede kans op het oplopen van Grote Hoogteziekte (High Altitude disease). Een aandoening waar u niet te lichtzinnig over moet denken. Verwar het ook vooral niet met de kortademigheid die u overvalt na enige inspanning bij het zoeken naar een parkeermeter. In ernstige gevallen wordt het gezichtsvermogen minder – de omgeving ziet er een beetje grijs uit, u slaapt slecht, vergeetachtigheid slaat toe en kunt wakker worden door ademnood. Verder neemt de hartfrequentie toe evenals de ademhaling (zelfs hyperventileren), u wordt sneller moe en na enkele weken gaat het lichaam extra rode bloedlichaampjes aanmaken waardoor de bloeddruk in de haarvaten toeneemt en ten gevolge van stuwing bloedvloeistof in de longen (longoedeem) en borst- en buikholte terechtkomt. In het bijzonder reizigers, die lijden aan hartaandoeningen of gebukt gaan onder verminderde longcapaciteit – bijvoorbeeld longemfyseem – moet worden afgeraden zich over te geven aan al te grote inspanning op enige afstand boven zeeniveau.

Bij langdurig verblijf op grote hoogte reageert het lichaam op de lage zuurstofspanning met de aanmaak van extra rode bloedcellen. Rode bloedcellen danken hun kleur aan het hemoglobine dat in staat is zuurstof te binden en via de bloedvaten door het lichaam te transporteren naar de organen waar het nodig is voor de verbranding. Gebleken is dat de hooglander in de Andes – evenals de Alpenbewoner – de lage zuurstofspanning te lijf gaat met de aanmaak van meer rode bloedcellen. Bijzonder is echter dat Tibetanen, levend op een hoogte van 4200 meter, zich van een ander geheel mechanisme bedienen. Zij maken niet meer rode bloedcellen aan, hebben ook geen hogere gehaltes aan hemoglobine in hun bloed, maar produceren in de wanden van hun bloedvaten meer van het bloedvat verwijdende stikstofmonoxide (NO). Daarbij ademen ze sneller.
Hier dus geen vermeerdering van het aantal rode bloedcellen maar een verhoging van de stroomsnelheid waardoor meer zuurstof de weefsels bereikt. Hun vaten vervoeren twee keer zo veel bloed als de onze op zeeniveau. De erfelijke factor voor deze bijzondere aanpassing blijkt afkomstig door hybridisatie van de moderne mens – ca. 30 tot 40.000 jaar geleden – met de reeds lang uitgestorven Denisova mens, een tijdgenoot van de Neanderthaler. Van de Tibetanen is 87 procent in bezit van het gen.
De bewoners van de hooglanden in Ethiopië, die vermoedelijk langer dan welke andere aardbewoners ook zich op grote hoogte bevinden, bedienen zich van weer een ander mechanisme. Zij maken – evenals de Tibetanen – niet meer rode bloedcellen aan en ook worden de wanden van de bloedvaten in de longen niet verwijd, maar het heeft er alle schijn van dat de zuurstof makkelijker vanuit hun longen wordt overgedragen aan het bloed. En met succes, gezien de resultaten van hun langeafstandlopers.
Bron: Altitude adaptation in Tibetans caused by introgression of Denisovan-like DNA

Overleven in de dierentuin; de oorlogsjaren van Artis en andere parken

 

 

Artismedewerkers in onderduik op de hooizolder bovende roofdiergalerij.

 

 

Over de geschiedenis van dierentuinen in oorlogstijd is weinig bekend. Na de bevrijding was men vooral bezig met het herstel van de oorlogsschade, het opvullen van de ontstane leemten in de diercollectie en het wegwerken van achterstallig onderhoud. Geschiedschrijving had een lage prioriteit. Als (oud) directeur van Artis verzamelde Frankenhuis meer dan twintig jaar lang archiefmateriaal, verhalen, artikelen, foto’s en andere gegevens over hoe de hoofdstedelijke dierentuin de oorlog heeft doorstaan. Hij beschrijft onder meer hoe de directie en de medewerkers het voor elkaar kregen om in de oorlogsjaren toch net voldoende hooi, vis, vlees, groente, fruit en zaden te bemachtigen voor de dieren, en steenkool en elektrische energie voor de verwarming van hun verblijven en de pompen in het aquarium. Vooral in de Hongerwinter was het afzien en de schaarste nijpend, en moesten de leeuwen zelfs enige tijd met grote tegenzin hun hongergevoel bevredigen met stokvis. Behalve de dieren vonden ook tussen de twee- en driehonderd mensen in de tuin – verstopt in tal van dierverblijven, op hooizolders en in de holle apenrots – een veilig onderkomen: Joden, soms hele families, mannen die aan de dwangarbeid in Duitsland probeerden te ontkomen, en een enkele verzetsman. Deze verborgen geschiedenis van onderduikers in Artis wordt belicht aan de hand van citaten, anekdotes en door Frankenhuis en door anderen gedocumenteerde verhalen. Hoewel Artis slechts een joodse medewerker in dienst had, de heer Polak, oprichter en beheerder van het insectarium, kende de hoofdstedelijke dierentuin wel drie Joodse bestuursleden, waaronder de voorzitter, de flamboyante Robert May, directeur van de bank Lippmann Rosenthal & Co. Van de beide andere Joodse bestuursleden kon de gedeputeerde van de Provincie Noord Holland, de heer Eduard Polak, tijdig ontkomen naar Engeland. Ook de beheerder van het insectarium overleefde de bezettingsjaren in Zwitserland. Emanuel Boekman, wethouder van de Gemeente Amsterdam pleegde na de Duitse inval met zijn vrouw zelfmoord. Voorzitter Robert May zag kans zich administratief dood te laten verklaren en overleefde – in alle openheid – vermoedelijk daardoor de bezettingsjaren. Artis was ook een belangrijk uitje voor Joods Amsterdam, vooral op de zaterdag. De entree werd dan voor de Sjabbat of op de zondag erna voldaan. De buurten rondom de dierentuin waren vooral bevolkt door Joodse Amsterdammers, Artis was voor hen dan ook makkelijk te voet te bereiken. In het begin van de oorlog moest hen op last van de bezetter de toegang tot hun dierentuin worden ontzegd. Artis was nauw verbonden met de Joodse gemeenschap in de stad. Zelfs de Hollandsche Schouwburg, welke in de oorlog zo’n trieste rol heeft gespeeld als deportatiecentrum, werd in 1892 opgericht als Artis Schouwburg uit de nalatenschap van de eerste directeur en oprichter van Artis Gerard Frederik Westerman. Het boek biedt daarnaast een overzicht van het wel en vooral wee van alle Nederlandse en veel buitenlandse tuinen in Duitsland en bezet gebied. Iedere dierentuin in bezet gebied heeft op heel verschillende wijze te maken gekregen met de Duitse inval, bombardementen en gevechtshandelingen, schaarste, hongersnood, onderduikers, collaboratie en verzet, en ten slotte de bevrijding. In 2012 verscheen van zijn hand reeds de novelle Droomonderduik over de wonderlijke fantasiewereld en de traumatische belevenissen van een Joods onderduikertje in Artis.

Ter overdenking

In de rijke verzamelingen van het Tropenmuseum te Amsterdam bevindt zich een bijzonder object, een sigarendoos gemaakt van de poot van de bijna uitgestorven Javaanse neushoorn uit de Preanger, een gebied in Java. Het is een onderdeel van een aansprekend dier, dat eerst moesten worden gedood voordat de lichaamsonderdelen tot zogenaamde kunstvoorwerpen konden worden verwerkt. Laten we niet twisten over smaak. Ook die evolueert, soms tot wansmaak. Geen medeschepsel is ooit op de gedachte gekomen delen van zijn prooidieren zo te verwerken. De relatie van de makers met onze leefomgeving lijkt ver verwijderd. Maar hoe bijzonder ook wat de soort mens op organisatorisch, artistiek en technisch gebied tot stand heeft gebracht met zijn overgedimensioneerde hersenschors, de historisch gegroeide relatie tussen ons en de rest van de levende natuur bleef bestaan. Onze woningen worden daarom mede bewoond door een reusachtige variëteit aan huisdieren, de vensterbanken imiteren de savanne en soms zelfs nog het regenwoud. En niet te vergeten de open haard, symbool van beheersing van het vuur. Het daaraan verbonden extra werk, rommel en brandgevaar nemen we op de koop toe. Onverbrekelijk verbonden met ons verleden. De verbondenheid met onze wortels op de savanne zit in onze genen verankerd. Nergens in onze huiskamers een pot zand in de vensterbank of er staat wel een plant in, geen bak water of deze is gevuld met vissen. We zijn bereid om honderdduizend euro’s extra op tafel te leggen voor een stukje tuin van vijftig vierkante meter. Niet dat zo’n lapje grond enige jachtbuit verschaft of het verzamelen van voldoende groenvoer mogelijk maakt om de winter door te komen. Het is al voldoende als we erop uit kunnen kijken of er in kunnen zitten. Wij alleen dan, en níet onze buren. Het bij onze verre voorouders behorende buitenleven – natuurlijk vooral ingegeven door gebrek aan binnenaccommodatie – zit nog diep in onze breinen verankerd. De savanne vooral. Hebben wij keuze uit foto’s met een veelheid aan woonplekken, van midden in een bos tot en met open vlaktes en steden dan gaat vrijwel iedereen voor een huisje in de bosrand – iets hoger gelegen – met wijds uitzicht over de ‘savanne’. Het blijkt ook dat mensen in een groene woonomgeving zich een tikkeltje gezonder voelen en minder vaak naar de dokter gaan met kwalen als diabetes, angststoornissen, depressie, COPD en duizeligheid. Mensen, die meer tijd doorbrengen in een groene woonomgeving, herstellen sneller van stress. Iedereen beleeft en herbeleeft zijn jager- en verzamelaarverleden op een eigen manier. We hollen door bos en veld, jagen met camera, geweer of verrekijker, zoeken naar schelpen aan het strand of golfen op armzalige monoculturen. We bezoeken dierentuinen, botanische tuinen en natuurreservaten. Die verbondenheid met de natuur en de afhankelijkheid van onze medeschepselen is onuitwisbaar ondanks alle verstedelijking, verdeling van werkzaamheden, managers, grootgrutters en technische vooruitgang. Duidelijk is onze oeroude relatie met én afhankelijkheid van de levende wereld rondom. Een oerverbond met de ons omringende natuur. Het kost moeite deze oergevoelens terug te vinden in het getoonde object.

Dreamscape


A Jewish Boy’s Hideaway in the Amsterdam Zoo

This touching story, based on actual events, takes place in Artis, the Amsterdam zoo, during the German occupation of The Netherlands. Unlike most other Dutch zoo’s, Artis remained open during the war. Estimates suggest that as many as 250 people sought refuge there for at least 1 or 2 days during the war, some even stayed for months or years. Many were young men trying to avoid transport to German forced labor camps or Jews seeking sanctuary. Towards the end of the war, Artis even provided a safe haven to a few of Allied airmen as well as one German deserter.

The book Dreamscape relates the adventures of a Berlin-born Jewish boy named Alfred Hirsch who, in 1942, finds himself unexpectedly trapped at Artis where he is forced to take cover to avoid Nazi persecution. Alfred’s story actually begins in November 1938, following the terror of the Crystal Night in Germany, when his parents make the wrenching decision to send their 5-year-old son to live in relative safety with an aunt, uncle and nephews in Amsterdam. A cheerful lad, Alfred begins to learn Dutch and settles nicely into his new surroundings, becoming an enthusiastic and regular visitor at Artis zoo.

By the autumn of 1942, however, the persecution of Jews had reached a peak, and razzia’s were a familiar sight in Amsterdam. Late one afternoon, as they were about to leave Artis, 9-year-old Alfred and his aunt were unexpectedly confronted with one of the worst razzia’s the city had experienced. When a night-watchman discovers them hiding and terrified, he manages to conceal them in the nick of time in the Ape and Bird House. Later when Alfred’s aunt departs under the cover of darkness to check on the whereabouts of her husband and children, she insists that he stay put and await her return. Alfred will never see his aunt again.

Hoping to eventually find a more suitable accommodation for the child, the night-watchman hides Alfred temporarily in a boiler room. During most of the next three years, his hideaway will be this dark and dusty coal cellar and its crawl spaces, his nourishment a daily ration smuggled in by the night-watchman. This kindly man, whom Alfred calls “Mr. Boss”, secretly provides the child with daily rations. However, Mr. Boss is adamant that they remain perfect strangers for safety’s sake, neither exchanging real names nor signs of recognition nor friendly greetings should their paths cross unexpectedly. Although Alfred occasionally catches a distant glimpse of the watchman and grows accustomed to hearing him move about on his nightly rounds, the two will not actually meet face to face until a week after the liberation in May 1945.

During his first days in hiding, the desperate and lonely Alfred must depend on what he sees and hears through the ventilation grills in the outer wall of his cellar hideaway. Much later, he will dare venture out after dark, like a nocturnal animal, roaming farther afield to visit the other animal exhibits and even the park itself. In an attempt to still his intense fears, alleviate boredom and remain sane in this shadowy unpredictable situation, Alfred creates a weird and wonderful fantasy world in which the caged animals and garden sculptures become his friends, tutors and protectors. Now he is not alone! He receives the most support and wise council from Sultan, a plaster orang-utan, as well as from two bronze Buddha’s, Mr. Westerman who lives in the marble monument bearing his name, and two French hunting dogs standing hautain on their pedestals at the end of Parrot Lane. Together with a few exotic animals, these extraordinary characters will befriend and protect this imaginative child during his long and fearful struggle to survive the war.

Alfred’s fanciful friends have played such an important role during his childhood years as war orphan that he prolongs their lively ongoing friendship as a facet of his adult life, during his successful career and harmonious family life. After retirement, Alfred finally finds the peace of mind to sort through his war memories using the notes he jotted down in school exercise books while hiding in the boiler room. His children insist that he tell his story, but Alfred also wants the world to understand that, under certain circumstances, animals are much more than hide and bones and sculptures can turn out to mean more than just bronze and stone. It then becomes apparent that, after liberation in May 1945, the dramatic farewells and disbanding of his imaginary friendships proved to be equally traumatic as the fear, hunger and solitude experienced in the boiler room of the zoo. Alfred is reassured, however, that the animals and sculptures share his distress.

It is imperative, I believe, to tell you, the reader, that this book is dedicated to Karel Frankenhuis, a young Dutch boy who lived in Amsterdam to the age of 7 years and 3 months. One must not round off the number of years for, at this age, each day is significant. The German occupiers arrested Karel and his parents, David and Johanna, for a reason they probably never could comprehend.
The very next day, the Germans and their Dutch accomplices sent the family on transport to the concentration camp at Westerbork. From there they were deported to Auschwitz where they were murdered on 7 September 1942 – only four days after their arrest.

I think that Karel, like most children, had a head full of plans and dreams for the future. Perhaps he even dreamt of managing the Amsterdam zoo one day. I like to believe that Karel would be very pleased to know that his little cousin later became Director of the Royal Amsterdam Zoo.

Maarten Th. Frankenhuis

Artis, november 1944

Het verhaal gaat dat de dieren de oorlogsjaren goed doorkomen en dat de tuin onder de gegeven omstandigheden normaal functioneert. Een naar de Verenigde Staten van Amerika geëmigreerde Amsterdammer schrijft echter: Vanaf klein kind ging ik ELKE Zondagmorgen met mijn vader en moeder naar Artis. Dat was een ‘ritueel’ in onze familie, behalve gedurende de zomervakantie, want wij hadden een zomerhuis in Apeldoorn. Ik weet zelfs de namen van bepaalde dieren nog. De ‘leegstand’ in Artis in november 1944 was inderdaad ‘afgrijselijk’ en buitengewoon droevig. Bovendien heeft dit bezoek aan Artis in november 1944 bijna mijn leven gekost. In november 1944 (ik was toen twaalf jaar) wist ik mijn vader over te halen om met mijn broertje en zusje naar Artis te mogen gaan. Gedrietjes liepen wij, in de kou, vanuit de Euterpestraat helemaal naar de Plantage Middenlaan. Er was niemand in de kiosk om toegangsgeld te innen, de kiosk was dicht. De hekken stonden open. We hadden drie boterhammen bij ons (…) Er waren bijna geen dieren meer en de paar dieren die er nog waren, waren vel over been. Nog twee leeuwen op het Kerbert Terras met die vijver ervoor, een olifant zo mager als een lat. Het krokodillen en reptielenhuis zat dicht, geen verwarming meer voor deze tropische dieren die vermoedelijk allemaal dood waren. De deuren van het nijlpaardenhuis stonden open en de stank was vreselijk. Een nijlpaard dreef op zijn rug in die kuip, dood natuurlijk. Wij zijn weggerend. Bij het zeeleeuwenterras en grot, helemaal achter in de tuin, hebben wij onze ‘lunch’ gegeten, er waren ook geen zeeleeuwen meer en het bad was leeg. Er was hoegenaamd geen publiek in de dierentuin, wij waren de enigen.

Veterinaire frivoliteiten uit vroeger eeuwen


Het aantal oude veeartsenijkundige handboeken welke de historisch geïnteresseerde collega ter beschikking staat, is uiterst gering in vergelijking tot dat, waartoe zijn medische tegenhanger zich kan wenden. Zeker het aantal Nederlandstalige werken is op de vingers van één hand te tellen; wenst men meer te weten omtrent het veeartsenijkundig wel en wee uit vroeger eeuwen van andere huisdieren dan paard en koe, dan blijven slechts enkele over.
Merkwaardigerwijs is een der oudste Nederlandstalige werken het meest compleet voor wat betreft het aantal te bespreken diersoorten. Hierin worden behalve de (huis)zoogdieren, zij het soms summier, ook duiven, hoenders, ganzen, eenden en bijen behandeld. Dit ‘Schoon Medecijnboecxken, tracterende vande natuerlicke crancheydt alder dieren’, uitgegeven door Bernaert Langenis in 1600, is op haar
beurt zoals het titelblad vermeldt ‘ghetranslateert uut den Hoochduytschen in onser Nederlantscher Spraken’.
Het oorspronkelijke Duitse werk, in 1530 gedrukt in Straatsburg, werd zoals in de Nederlandse versie te lezen valt, ‘ghecopieert uut Varone, Plinio, Vergilio en Palladio’. Veel van de informatie in dit 60 pagina’s tellende boekje is inderdaad, zij het meer uitgebreid, te vinden in de lijvige Romeinse werken over landbouw en veeteelt.
De herkomst van de op de laatste pagina bijgevoegde eisen behorende bij het paard konden evenwel niet worden teruggevonden; het zijn vooral deze eisen die wij U, gezien hun relatie met de titel van dit epistel, niet willen onthouden:

Een goet Peerd moet hebben twaelff stucken van ses Creaturen vanelcks twee stukken ofte conditien.
In den eersten, vande Pauwe.
Luyde Stemme. Schoon Hayr.
Item vanden Ezel.
Eenen Stercken rugghe. Goede hoornen des voets.
Item vanden Wolff.
Wel eten. Ende sachte draven.
Item vanden Vos.
Scherp ghesichte. Eenen schoonen Steert
Item vanden hase.
Snel loopen. Cort keeren.
Item vander Vrouwe.
Een Schoone Borst en laten geerne opsitten.

Vrij vertaald:
Een goed paard moet in het bezit zijn van twaalf onderdelen van zes schepsels; van elk twee eigenschappen of vermogens.
In de eerste plaats moet ze hebben het forse stemgeluid en
het mooie ‘haar’ van de pauw.
Van de ezel dient ze te bezitten de sterke rug en
de goede hoornkwaliteit van de hoef.
Evenals de wolf dient ze te beschikken over een goede eetlust en
een soepele gang.
Als de vos dient ze te beschikken over een scherpe blik en
een mooie staart.
Ze moet snel als een haas kunnen lopen en
even snel kunnen wenden.
Als een vrouw dient het te zijn
schoon van borst en zich graag…?!

Bijna 400 jaar geleden werden deze ontwapenend vrijmoedige woorden neergeschreven in een veeteelt-kundigdiergeneeskundig handboek. Hoe lang zal het nog duren voordat onze vakliteratuur ook van uit dit aspect bezien de moeite van het bestuderen weer waard is.
Duidelijk blijkt uit de onvolledige vertaling dat ook ondergetekende nog niet geheel rijp is om op dit gebied baanbrekend werk te verrichten.

Wreedheid belicht


Met overtuiging sluit ik mij aan bij de woorden van Marian Poyck: ‘wat wij waarnemen als wreedheid bij dieren berust voor het merendeel – zo niet geheel – op menselijke projectie. Dat impliceert voor mij dus ook dat wat wij waarnemen als tederheid bij slakken veeleer moet worden beschouwd als gracieusheid van beweging, geheel voortkomend uit de (toevallige) anatomie. Met tederheid (en gratie) heeft dat dus niets van doen. Ze zullen het gewoon zo doen als ze het altijd doen. Het repertoire op paargebied zal beperkt zijn tot zoals het nu eenmaal gebeurt. Enkel een mens kan daar tederheid in ontdekken.’
Graag voeg ik daar aan toe: ‘Zo zal het paringsritueel van vier tons olifanten ongetwijfeld tranen van ontroering en vertedering ontlokken bij honderdenzeventig duizend kilo zware blauwe vinvissen, baleinwalvissen levenslang zwervend over de wereldzeeën naar hun levende garnaaltjes. Maar óók zij, de gratie zelve!’
De omschrijving van wreedheid bij mensen vindt zich het best in de definitie, dat wreedheid het best kan worden omschreven als onverschilligheid ten aanzien van lijden (bij dieren en andere mensen alleen…?); een typisch menselijke eigenschap, die zelfs kan ontaarden in het beleven van plezier in het aanschouwen, en zélfs het zelf veroorzaken van lijden, niet zelden uitmondend in perversie.
Simon Buschman stelt terecht: ‘Wat wij verstaan onder wreedheid bij dieren is voor mij doorgaans ´functioneel gedrag´of ´secundaire, afgeleide wreedheid´.’
Wreedheid – in mijn beleving – bestaat vermoedelijk slechts bij de gratie van de menselijke perceptie. Een havik doet het nu eenmaal niet goed op aalbessen, spruitjes of oud brood. Van een carnivoor kan ook de meest gepassioneerde dierenliefhebber-vegetariër nu eenmaal niet verwachten dat hij zijn positie in de top van de voedselketen opgeeft, boete doet en de rest van zijn medeschepselen voortaan met rust laat.
Slechts Homo sapiens, en dan vermoedelijk alleen nog maar de moderne versie, kan zich een bestaan permitteren zonder slager, melkboer en lederen schoeisel.
Maar kunnen we wel spreken van wreedheid bij dieren? Leeuwen doden hun prooi meestal door verwurging, het dichtbijten van luchtpijp of snuit, terwijl krokodillen hun prooien onder water aan ademnood doen bezwijken.
Het lijden, voor dat de dood intreedt, zal dan een veelvoud zijn van het snelle sterven op het moment dat een luipaard, jaguar of tijger zijn hoektanden door het schedeldak boort. Anderzijds, het lijden van jonge antilopen wordt beslist in tijd verlengd en in pijnlijkheid vermeerderd als een moeder jachtluipaard haar prooi eerst enige tijd gebruikt om haar welpen te trainen voor hun toekomstig jachtbestaan alvorens de tanden er echt in te zetten. Maar dan treedt de dood ook snel in.
Is het wreed als Afrikaanse wilde honden en hyena’s hun prooi al beginnen te verscheuren en om de rondslingerende ingewanden vechten als het dier nog leeft? In hun geval is snelheid nu eenmaal geboden. Leeuwen en grotere groepen soortgenoten maken hun anders de moeizaam verworven vangst afhandig. In het dierenrijk is roofoverval, diefstal en zelfs bedrog volledig geaccepteerd. Het jachtluipaard raakt zelfs de helft van alle gevangen prooi kwijt en ook de panter consumeert zijn buit nu eenmaal niet bij voorkeur hoog in een boom omdat het klimmen met een antiloop in zijn bek hem zoveel genot schenkt.
Een havik, die de in zijn klauwen spartelende houtduif al deels heeft geplukt voordat de dood intreedt, heeft echter nauwelijks te vrezen.
Ten slotte, moet een vos of marter, die kans ziet een kippenhok binnen te dringen en ter plekke alle pluimvee om zeep brengt – meer dan hij in een maand zou kunnen verorberen – beschuldigd worden van wreedheid? Hij is de eigenaar te snel af en doet slechts wat hem door Onze Lieve Heer en Charles Darwin wordt ingegeven. Neen, echt wreed en pervers is pas het eten van kreeft, in casu het toebereiden van levende medeschepselen in kokend water, dat doet geen dier ons na…

Uit ‘Gegeven de tijd’, Tanka’s en schaduwsporen’; Simon Buschman en 66 medeauteurs, pag. 48 (uitg. De Lemmer, Lemmer, 2011)

Fokprogramma’s in dierentuinen; over dilemma’s en ontwikkelingen

Jonge Zanzibar Rode Colobus

Stellingen
Als een belangrijk deel van het takenpakket van dierentuinen bestaat uit het in stand houden van bedreigde diersoorten en incidenteel het ter beschikking stellen van dieren ten behoeve van natuurbehoudprojecten, dan lijkt het zinnig te streven naar een meer natuurlijke vorm van partnercombinatie.

Theoretisch is het voor veel diersoorten in dierentuinen beter – ter voorkoming van niet af te zetten surplus – de voortplanting gewoon doorgang te laten vinden en het leven van de niet af te zetten nakomelingen bij het bereiken van de speenleeftijd te beëindigen.

Het is zeer wel denkbaar, dat vruchtbaarheidsbegeleiding met behulp van moderne voortplantingstechnieken (assisted reproduction) bij exotische diersoorten, die kampen met overerfbare of gedragsmatig verstoorde voortplantingsproblemen, er voor zullen zorgen dat in volgende generaties de behoefte aan geavanceerd gynaecologisch ingrijpen zal toenemen.

Het fokken van exotische dieren in dierentuinen geschiedt in principe alleen om de eigen collecties en die van collega-dierentuinen in stand te houden. Daarnaast speelt het leveren van een bijdrage tot het in stand houden van bedreigde diersoorten in het kader van internationale fokprogramma’s een rol.
Soms worden op verzoek van natuurbeschermingsorganisaties nakomelingen ter beschikking gesteld voor herintroductie in de vrije natuur.
Aanvulling uit het wild is niet gewenst en in de meeste gevallen niet mogelijk.
Surplus wordt via ruillijsten aangeboden aan betrouwbare collega-dierentuinen.
Ten einde het ontstaan van niet af te zetten nakomelingen zo veel mogelijk te voorkomen, is het noodzakelijk, dat een dierentuin over een collectieplan beschikt, een onmisbaar beleidsstuk, gefundeerd op de beschikbare ruimte en financiën alsmede op de doelstellingen en de statuten van de instelling.

Er kan, bij zoogdieren vooral, gemakkelijk ongewenst surplus ontstaan. Daarom staan van vrijwel alle grote katachtigen de vrouwelijke dieren op de anticonceptiepil, ontvangen sommige dieren hormonale anti-conceptie per injectie, andere dierentuin bewoners worden gesteriliseerd of worden dieren van verschillend geslacht permanent dan wel tijdelijk van elkaar gescheiden.
In enkele groepen hoefdieren is het in de praktijk lastig om de geslachten te scheiden en is daarom ongewenst (vooral mannelijk) nakomelingschap soms onvermijdbaar. Voor de vrouwelijke dieren is vrijwel altijd afzet.
Vooral veel grote roofdieren ‘doen’ aan geboortebeperking en na jaren aan de (voor hen niet ontworpen) pil zijn echter veel vrouwelijke dieren te oud geworden voor de voortplanting en gaat hun genetisch reservoir verloren.
Als gedragverrijkende maatregel voor het individu en voor de groep, én voor het behoud van het voortplantingsvermogen en het verzorgingsgedrag van de moederdieren, zou eigenlijk beter niet ingegrepen kunnen worden. Theoretisch zou het dan ook voor de meeste diersoorten in dierentuinen beter zijn de voortplanting gewoon doorgang te laten vinden en het leven van de niet af te zetten nakomelingen bij het bereiken van de speenleeftijd te beëindigen. Ook in het wild haalt veelal de helft van alle nakomelingen de volwassenheid niet.
Vermoedelijk blijft het voorlopig bij deze theoretische beslommeringen omdat een zo’n ingreep voor het dierentuinbezoek, dierenbeschermingsorganisaties, de media en veel dierentuinmedewerkers onbespreekbaar is.

Kunstmatige inseminatie en embryo-transplantatie de oplossing?
Ondanks de verbeterde gezondheidstoestand bleven in het recente verleden, bij sommige exotische vogelsoorten vooral, de voortplantingsresultaten teleurstellend. Gelukkig is het een eenvoudige zaak geworden om van de meest soorten, waarvan de partners op het oog niet van elkaar zijn te onderscheiden, het geslacht te bepalen. Vroeger bood onderzoek van de chromosomen gekweekt uit witte bloedcellen of ander dierlijk materiaal soulaas of werd toevlucht genomen tot endoscopie, het bekijken van de inwendige geslachtsorganen m.b.v. een in de buikholte gebracht optiekje. Voordeel van de laatste methode is, dat inzicht kan worden verkregen in de gezondheidstoestand van het dier door te kijken naar ontstekingen, tumoren, orgaandegeneratie e.d.
DNA onderzoek op een druppeltje bloed of veerfollikels heeft alle voorgaande technieken overbodig gemaakt.

Het chromosoomonderzoek bleek ook een goed hulpmiddel om onderscheid te maken tussen de verschillende ondersoorten of tussen diersoorten, die uitwendig niet te onderscheiden zijn.
Decennia lang was het namelijk volstrekt onduidelijk waarom douroucouli’s – kleine Zuid Amerikaanse nachtaapjes – zich in dierentuinen soms wel en dan weer niet voortplantten. Wat bleek, de soort kon worden onderverdeeld in een aantal (sub)populaties, onderling gescheiden door brede rivieren en soms onneembare bergruggen. De meeste van deze (sub)populaties vertoonden chromosomaal zodanige verschillen, dat soms de versmelting van eicel en zaadcel niet tot stand kwam, mogelijk vroeg-embryonale sterfte optrad en in weer andere gevallen onvruchtbare nakomelingen werden verwekt.

Ook tussen de beide orang utan populaties, de Sumatraanse en de Borneose, blijkt een chromosomaal verschil te bestaan. Kruisingen tussen orang utans van Borneo en Sumatra leveren echter geen problemen op en ook de nakomelingen vertonen een normale vruchtbaarheid. Inmiddels zijn de populaties van orang utans en douroucouli’s in kaart gebracht om de juiste ‘chromosomale ondersoort’ vast te stellen. De kruisingen worden verder niet meer voor de fok gebruikt en via herverdeling van dieren is men bezig chromosomaal zuivere fokgroepen samen te stellen. Iedere dierentuin zijn eigen karyotype, chromosomale ondersoort.

Toch zijn er nog vele diersoorten in dierentuinen welke zich niet of nauwelijks voortplanten of waarvan de aantallen in het wild onrustbarend laag zijn geworden. Het is met name voor deze categorieën dat er de laatste decennia veel onderzoek is verricht naar de toepassingsmogelijkheden van moderne voortplantingstechnieken uit de veehouderij en de humane geneeskunde.
Sperma-onderzoek en invriezen van door electro-ejaculatie (rectaal toegediende stroomstootjes) gewonnen sperma is mogelijk, maar tot nu toe slechts ‘mondjesmaat’ bruikbaar. Kunstmatige inseminatie heeft reeds de nodige successen opgeleverd en het zelfde geldt voor ovulatieinductie, in vitro fertilisatie (reageerbuisbaby’s) en embryo transplantatie.
Zo werden zelfs – in gedomesticeerde familieleden – wilde dieren geboren na implantatie van de kunstmatig ‘verwekte’ en gewonnen embryonen.
De voordelen zijn duidelijk, transport van dieren in een reageerbuis is nu eenmaal goedkoper dan een volwassen exemplaar in een bijbehorende kist.
Het is sinds enkele jaren mogelijk uit het sperma van ‘onvruchtbare’ mannen nog een enkele zaadcel, desnoods onbeweeglijk of een onrijp voorstadium, te isoleren en deze onder microscopische begeleiding in de eicel te brengen.
De vraag is echter of de kosten en de enorme onderzoeksinspanningen opwegen tegen de zeer beperkte voordelen, nog afgezien van publieke kritiek.
‘Assisted reproduction’ is in Australië in toenemende mate relevant vanwege de geïsoleerde positie en importbeperkingen uit vrees voor de invoer van besmettelijke dierziektes en de kans op verwilderen van dieren na ontsnappen.

Het ligt echter zeker niet in de bedoeling met deze technieken zo ver te gaan als waartoe de medische wetenschap in het geval van de mens in staat is. Wetenschap en techniek zijn inmiddels zo ver gevorderd, dat ook echtparen welke enige decennia geleden beslist kinderloos zouden zijn gebleven, nu geholpen kunnen worden in hun kinderwens.
Geavanceerd operatief en hormonaal behandelen is gemeengoed geworden.

Met betrekking tot het voorgaande kunnen toekomstige generaties nog met een bijzondere erfenis worden opgescheept. Immers bij de mens heeft vrijwel ieder mannelijk individu een partner en tracht hierbij in de meeste gevallen nakomelingen te verwekken.
Het is niet ondenkbaar, dat vruchtbaarheidsbegeleiding van ongewild kinderloze echtparen en de toepassing van de hiervoor genoemde moderne voortplantingstechnieken er de oorzaak van zullen zijn, dat in de toekomst de behoefte aan gynaecologische assistentie zal toenemen.
In relatie tot het voorgaande kunnen vergelijkbare problemen worden verwacht bij diersoorten in zoölogische collecties, die kampen met overerfbare of gedragsmatig verstoorde voortplantingsproblemen.
Totaal anders ligt de situatie in de veehouderij, waar slechts enkele mannelijke dieren en dan nog uitsluitend die met superieure productie-eigenschappen en topkwaliteit sperma, voor de voortplanting worden gebruikt.

Seksuele selectie in dierentuinen? Het blijft altijd mensenwerk…
In dierentuinen echter – bij (landbouw)huisdieren is het al niet anders – is partnerkeuze in vrijwel alle gevallen een zaak van de curator of boer, mensenwerk dus. Verwacht mag dan ook worden dat de meeste combinaties, die op deze wijze tot stand worden gebracht, inferieur zijn aan de resultaten van het zeer geavanceerde en ‘doordachte’ natuurlijke seksuele selectieproces.
Duidelijk zal zijn dat ook hier het gevaar van domesticatie levensgroot op de loer ligt. Uit onderzoek blijkt namelijk dat selectie gedurende slechts een beperkt aantal generaties op individuen, die zich onderscheiden door tamheid en aanpassingsvermogen aan de door ons geschapen omstandigheden, markante morfologische veranderingen teweeg kan brengen. Zo werd bij exotische dieren in mensenhand geconstateerd dat frequent gedragsveranderingen, onvruchtbaarheid, kleurvariatie, vormafwijkingen aan kop, gebit, staart en oren, vermindering van herseninhoud, verandering van structuur van de hersenschors en verkorting van darmkanaal optreden. Soms zijn deze veranderingen te wijten aan de veranderde voeding, onnatuurlijke huisvesting of gebrek aan beweging of omgevingsstimuli, maar in de meeste gevallen moet worden gedacht aan het ontbreken van natuurlijke seksuele selectie.
Bij internationale fokprogramma’s wordt wel alles in het werk gesteld om inteelt te vermijden, erfelijke aandoeningen te elimineren en er voor te zorgen dat de juiste soort en ondersoort bij elkaar worden gebracht. Maar als wij op de traditionele wijze doorgaan en zelf menen te kunnen bepalen wie zich mag voortplanten en hoe vaak, én met wie onze exotische dieren de echtelijke sponde delen, is domesticatie en verlies van genetische variatie onvermijdelijk.
Het behoud van maximale, of beter optimale genetische variatie is van belang om in het wild teruggebrachte dieren bij rehabilitatieprojecten maximale overlevingskansen te bieden. In een aantal gevallen werden exemplaren van bedreigde soorten gevangen en ter beschikking gesteld van fokprogramma’s (o.a. Arabische oryx, Californische condor, zwartvoet fret). Ook heeft men ex situ wilde dieren geïmmobiliseerd ten behoeve van de spermawinning. Nogal complex natuurlijk, vooral ook omdat ter plekke moet worden ingevroren.

Dierentuindieren mogen geen domesticatieproducten worden hoewel dat in de huidige praktijk nauwelijks is te vermijden. Zaak is dus om het normale voortplantingsproces in dierentuinen, inclusief het complexe proces van partnerkeuze, zo natuurgetrouw mogelijk na te bootsen.
Ten overvloede, uitgangspunt voor alle leven is: alleen geslachtelijke voortplanting via natuurlijke partnerkeuze garandeert voldoende variëteit in het nageslacht om de steeds veranderende omstandigheden het hoofd te kunnen bieden. Anders gesteld: erfelijk materiaal dient steeds weer in nieuwe combinaties aan de gesel van het dagelijks bestaan te worden aangeboden om een soort te kunnen laten overleven.
In relatie tot het voorgaande is het daarom van belang om in het nageslacht bepaalde erfelijke combinaties tot stand te laten komen. Hierbij spelen feromonen, die een afspiegeling vormen van het Major Histocompatibility Complex (MHC), een hoofdrol. Het MHC, is een deel van het genoom, HLA bij de mens, dat codeert voor glycoproteïnen, die zich aan de oppervlakte van van veel zoogdiercellen bevinden en die een belangrijke rol spelen bij de herkenning van ‘eigen’ en ‘niet-eigen’ elementen in het lichaam. Het bezit van bepaald MHC combinaties geeft de nakomeling een grotere kans op overleven in een door infectieuze agentia gedomineerde wereld. Het is dan ook aan de ouders om er voor te zorgen, dat de juiste combinatie tot stand komt.
Omdat natuurlijke partnerkeuze in dierentuindieren geen kans krijgt kan men zich afvragen – mede naar aanleiding van de bevindingen bij experimenten op laboratoriumknaagdieren – of de frequent in dierentuinen geconstateerde onverenigbaarheid van karakters en de soms daar uit voortvloeiende agressie, verwondingen en ongelukken, onvruchtbaarheid van bepaalde partner combinaties, lange geboorte intervallen, de vaak hoge frequentie van embryonale, neonatale en juveniele sterfte, en de soms slechte kwaliteit van de nakomelingen, hiervan een gevolg zijn.
Mogelijk dat het in kaart brengen van MHC karakteristieken van met name bedreigde zoogdiersoorten in dierentuinen en vervolgens – op basis daarvan – passende combinaties tot stand brengen, teleurstelling voorkomt.

Het huisdier bedreigd!


Het lot van de mens is onverbrekelijk met het dier verbonden. Dat is nu niet anders dan 100.000 of een miljoen jaar geleden.
Maar het contact met ons levend verleden is verbroken. Ten gevolge van onze enorme expansiedrift is in de Westerse Wereld het wilde dier grotendeels uit onze leefomgeving verdwenen. Ratten, muizen en kakkerlakken vergezellen ons nog trouw maar dragen weinig bij aan natuurbeleving. Ook ons pluimvee, onze varkens en koeien houden zich voornamelijk binnenshuis op.
We zijn vervreemd geraakt van de diersoorten waar wij ‘brood’ in zagen en consumeren hen dan ook het liefst onherkenbaar verpakt op de schappen van het grootwinkelbedrijf. Hoe het werd grootgebracht, gedood, geslacht en verwerkt willen we al helemaal niet weten. We moeten onze oergevoelens proberen zoet te houden met domesticatieproducten als honden, katten en goudvissen.

Sinds de mens ruim 12.000 jaar geleden begon met temmen, fokken en selecteren (domesticeren) van enkele van de diersoorten, welke hem omringden, is er een grote variëteit aan rassen, vormen en kleurslagen ontstaan. Van de talloze, in principe bruikbare wilde diersoorten is weliswaar slechts een fractie in het domesticatieproces betrokken, maar uit deze weinige soorten zijn in de loop van enkele millennia weer duizenden huisdierrassen ontstaan. De evolutie overtroffen.
Het domesticeren van wilde dieren en planten wordt wel beschouwd als de belangrijkste stap, die de mensheid heeft gezet op haar pad naar ‘volwassenwording’. Een controleerbare voedselbron bracht enige rust in haar zwervend jager- en verzamelaarbestaan en men betrok vaste woonsteden.

Een gedomesticeerde diersoort zou het best kunnen worden omschreven als een groep dieren van een oorspronkelijk wilde soort, welke zich sinds vele generaties genetisch gescheiden van haar wilde soortgenoten heeft voortgeplant. De groep is daarbij geheel afhankelijk van de mens. Dat geldt zowel voor de plaats waar zij zich ophoudt, de hoeveelheid en soort voedsel welke zij krijgt toebedeeld, als de deelname aan het voortplantingsproces en de keuze van de seksuele partner.
Selectie, vaak onbewust, op extremen als grote koude en hitte, voedsel- en water-schaarste, hoge melkgift, eiproductie en groeisnelheid, op jachtzin, waaksheid en vechtlust moet beschouwd worden als de basis van de uitbundige en nuttige veelvormigheid aan huisdierrassen.

Het ministerie van VROM stelt dan ook terecht:
Biodiversiteit omvat ook de genetische variatie van landbouwhuisdieren en gewassen. Moderne fok- en teeltmethoden hebben geleid tot enkele hoogproductieve rassen. De oude huisdierrassen en landbouwgewassen die hiervoor de basis vormden zijn nu zeldzaam en worden met uitsterven bedreigd omdat ze het qua productie verliezen van de moderne rassen.
Het gebrek aan genetische variatie in onze landbouw en veeteelt vormt een risico, zeker op de lange termijn. Behoud van de oude rassen is nodig om in te kunnen spelen op veranderende omstandigheden. Oude rassen moeten dus behouden blijven, niet alleen vanuit cultuurhistorisch oogpunt maar vooral om over de genenpool die zij vertegenwoordigen te kunnen blijven beschikken. Oude rassen stellen vaak weinig eisen aan hun omgeving. De erfelijke eigenschappen die daarvoor zorgen, kunnen in de toekomst broodnodig zijn om de moderne rassen minder kwetsbaar te maken. Daarnaast is rasselectie een goede mogelijkheid om landbouw te bedrijven aangepast aan lokale omstandigheden, waarin moderne rassen soms niet goed uit de voeten kunnen.
Anders gezegd, behoud van genetische diversiteit tussen en binnen rassen landbouwhuisdieren is essentieel om te kunnen blijven inspelen op veranderingen in veehouderijsystemen, markt of milieu of om op terug te kunnen vallen wanneer zich genetische of ziektekundige problemen voordoen.

Helaas is van de oude veelvormigheid in type, kleur en aftekening van huisdieren, geschilderd door Jan Steen, Melchior d’Hondecoeter en Paulus Potter weinig over. Met name de laatste honderd jaar werd door onze keuterboer, kleinschalige veelsoortigheid zonder pardon veranderd in grootschalige uniformiteit.
Maar heel bijzonder, sinds enkele decennia zien we de 18e en 19e eeuwse variëteit aan type kleur en aftekening weer in ons weide landschap verschijnen. Het melkquotum en de daaraan gekoppelde vermeerderde belangstelling voor buitenlandse vleesras¬sen en hun kruisingsproducten met het inheemse vee, zou weer aanleiding kunnen vormen voor het ontstaan van menig hedendaags veestuk.

De vroegere variëteit in type, kleur en aftekening kwam voor een belangrijk deel voort uit het feit, dat stamboeken hun intrede nog niet hadden gedaan en de Lage Landen eeuwenlang werden geteisterd door een vloedgolf van rampen welke met pijnlijke regelmaat ons veebestand decimeerde. Grote aantallen runderen, schapen, geiten en paarden moesten namelijk frequent in de ons omringende landen worden aangekocht om de verliezen te compenseren veroorzaakt door watersnoodrampen, krijgshandelingen, besmettelijke veeziekten en ongunstige weersomstandigheden.
Rampzalige gebeurtenissen vormden vooral de regelmatig terugkerende besmettelijke veeziekten als longziekte, runderpest en mond- en klauwzeer. Volgens oude bronnen kroop reeds in de 4e eeuw na Chr. een “ijsselijke smet ongevoelig voort, wijl al ‘t vee verteerde en de lantman weent en schreit”.
Naast de genoemde watersnoden en epidemieën leed de veestapel om de paar jaar gevoelige verliezen ten gevolge van grote droogte, oorlogsgeweld, langdurige regenval of strenge winters.
Het is duidelijk dat Hubert Kornelisz Poot niet geheel op de hoogte was, toen hij in het begin van de 18e eeuw de dichtregels neerschreef: “hoe genoeglijk rolt het leven des gerusten lantmans heen”!
Gelukkig, veel van het ‘boerenantiek’ heeft de prestatieslag in de vorige eeuw overleefd en kan zich verheugen in hernieuwde belangstelling.
Dankzij de enorme inzet van de Stichting Zeldzame Huisdierrassen en de vele particuliere fokkers van Oudhollandse huisdierrassen, die aandacht schenken aan dit deel van ons nationale culturele erfgoed, kunnen we nog profiteren van de decoratieve en vaak nuttige veelvormigheid van ons oorspronkelijk huisdierbestand.

Wij hopen met dit overzichtelijke en moderne boekje onze oude en soms in hun voortbestaan bedreigde huisdierrassen onder uw bijzondere aandacht te brengen. Hun nut als bron van onvervangbaar erfelijk materiaal, hun bruikbaarheid als grazers in het onderhoud van bepaalde landschappen en hun cultuurhistorische waarde werden te lang genegeerd.

(Inleiding in ‘Variatie in Vee’; Uitgave Stichting Bio-wetenschappen en Maatschappij, kwartaal 3, 2010)