Wat is de releatie tussen zoönosen, parasieten en kredietcrisis?



Zoönosen zijn infectieziekten, waarvan de verwekkers ziekteverwekkend kunnen zijn voor zowel mens als dier. Deze kunnen elkaar dan ook over en weer besmetten. Slachthuispersoneel, dierenartsen, boeren en eigenaren van gezelschapsdieren lopen een groter risico dan de doorsnee Nederlander. Ook dierentuin-, kinderboerderij- en asielmedewerkers die belast zijn met de dierverzorging, voedselbereiding en mestafvoer, lopen een licht verhoogd risico.

Tachtig procent van alle infectieziekten, die bij de mens kunnen voorkomen treffen we eveneens aan bij een of meer gewervelde dieren. De Wereldgezondheidsorganisatie waarschuwt reizigers die naar de (sub)tropen afreizen met een ferme lijst infectieziekten, waarvan zo’n 30 zoönosen.

Zo kunnen de meeste roofdieren en knaagdieren drager zijn van salmonella en campylobacter bacteriën en van de eencellige veroorzaker van Toxoplasmose. De ooit zo gevreesde hondsdolheid, miltvuur en humane tuberculose vormen in ons land nauwelijks nog een serieuze bedreiging, maar elders blijft voorzichtigheid geboden; menstuberculose kan ook worden overgebracht door geïnfecteerde honden, apen en papegaaiachtigen. Een zoönose die nog regelmatig voorkomt bij zowel privé vogelbezitters als bij medewerkers van kinderboerderijen en vogelasiels, is psittacose of papegaaienziekte. Deze infectieziekte, welke vooral voorkomt bij duiven en papegaaiachtigen en daar soms de oorzaak kan zijn van hoge uitval, geeft bij de mens hoofdpijn, misselijkheid, longaandoeningen en koorts. Mits op tijd behandeld, kan de aandoening met antibiotica goed worden bestreden. Voorkómen is beter.

De bovengenoemde voorbeelden zijn aan te vullen zijn met vele tientallen van de meest exotische infectieziekten, waarvan een aantal zeer gevaarlijk en vaak moeilijk te behandelen en te bestrijden. Ruim 60% van de ruim 1400 micro-organismen, die infectieziekten veroorzaken bij mensen, kunnen door dieren worden overgebracht. Voor de meeste zoönosen geldt echter, dat bezitters van (landbouw)huisdieren niet veel meer risico lopen dan de gemiddelde EEG inwoner, bovendien komen de meeste alleen in zeer verafgelegen streken voor.

Waakzaamheid en hygiëne blijven echter geboden, zowel thuis als op reis!

De algemene gedachte heeft postgevat, dat veel van deze infectieziekten hun oorsprong vinden in de overgang van jager-verzamelaar naar veehouder en landbouwer. Hierdoor ontstonden grotere bevolkingsconcentraties waardoor alleen al meer infectiekans. Bovendien ging een deel van de mensheid over van een nomadische leefwijze naar een sedentair bestaan, waarin meer contact ontstaat met afval en uitwerpselen dan bij nomadische volkeren, die na enige tijd weer verder trekken. Akkers en sommige landbouwhuisdieren zijn nu eenmaal weinig mobiel of laten zich moeilijk hoeden. Bovendien trekken (landbouw)huisdieren en voedselvoorraden allerlei knaagdieren en insecten aan die als tussengastheer en verspreider dienst kunnen gaan doen.

Maar de belangrijkste oorzaak voor het ontstaan van zoönosen is vermoedelijk het nauwe contact van de veehouders met hun dieren en de daar onverbrekelijk bijbehorende parasieten en micro-organismen in het vlees, organen en huid, en in afscheidingsproducten als uitwerpselen, urine, vruchtwater, speeksel en melk.

Het runderpestvirus en de verwekker van hondenziekte zijn nauw verwant met de menselijke mazelen. Zelfs zo nauw dat levend mazelenvirus als vaccin wordt gebruikt tegen hondenziekte. Maar ook de humane tuberculose is nauw verwant met o.a. runder- en vogeltuberculose, en het zelfde geldt voor de verwantschap tussen vogel- en mensenmalaria, vogel-, varken en menseninfluenza en ten slotte tussen runderpokken en de inmiddels uitgeroeide en buitengewoon gevaarlijke menselijke variant.

Zoals de 17e eeuw vrijwel onophoudelijk werd geteisterd door de pest, zo domineerden de pokken de 18e eeuw. Pokken was vaak de oorzaak van ontsierende littekens op het gezicht, soms kon de sterfte onder geïnfecteerde personen oplopen tot 20 procent. De mensheid heeft al op zijn minst 3000 jaar met het pokkenvirus te maken. Het oudst bekende slachtoffer is de Egyptische farao Ramses V, die overleed in 1157 v.Chr. Aan de huid van zijn gemummificeerde hoofd is nog duidelijk te zien dat hij een pokdalig, door de pokken aangetast uiterlijk had.

De nauwe relatie tussen koepokken en mensenpokken of variola vormde de basis het eerste vaccin bruikbaar voor de mens. De Engelse huisarts Edward Jenner was geïntrigeerd geraakt door de boerenwijsheid, dat, wie eenmaal koepokken had gehad, geen pokken meer kon krijgen. Koepokken is slechts een onschuldige virale infectie bij koeien, die weinig problemen geeft behalve wat blaasjes op het uier. Ook had Jenner kennisgenomen van het baanbrekende werk van de Nederlander Geert Reinders uit 1774 met zijn enting tegen runderpest. Jenner infecteerde een bekende met de koepokken van een melkmeisje en besmette hem na 6 weken met het levensgevaarlijke pokkenvirus van de mens. De man werd slechts licht ziek en was binnen een week weer geheel genezen.

Sinds 1972 komt de ziekte niet meer voor. Een wereldwijde vaccinatiecampagne met een effectief vaccin maakte definitief een einde aan de plaag, mede doordat er geen symptoomloze dragers voorkomen en de kiem zich niet schuil houdt in dierlijke reservoirs.

Daar waar de mens in de jager-verzamelaarfase vooral ten offer viel aan ‘macroparasieten’ in de vorm van grote roofdieren, moet dat zo’n 10.000 jaar geleden door het nauwe contact met zijn (landbouw)huisdieren, zijn veranderd. Een nieuwe bedreiging door ‘microparasieten’ als bacteriën, virussen en een veelheid aan vlooien en inwendig opererende wormen e.d. diende zich aan.

In die zelfde tijd mag ook worden aangenomen, dat ten gevolge van grotere bevolkingsconcentraties en een sedentaire leefwijze, de bedreiging door grote roofdieren afnam, maar tevens een nieuwe vorm van ‘macroparasitisme’ haar intrede deed. Macroparasieten, die in leven moesten worden gehouden van wat de boeren en handwerkslieden produceerden. Macroparasieten in de vorm van hoogwaardigheidsbekleders als koningen, adel, bestuurders, misdadigers en politici, én natuurlijk militairen, geestelijken, ambtenaren en politie om het voor hoogwaardigheidsbekleders zo profijtelijke systeem in stand te houden.

Enige nuance is natuurlijk geboden: geestelijken, militairen, politie, ambtenaren en zelfs bestuurders kunnen soms onmisbaar zijn in onze huidige complexe maatschappij om micro- en macroparasieten van binnenuit in toom te houden, dan wel indringers van buiten te weren. De balans tussen enerzijds datgene wat door de hoogwaardigheidsbekleders en hun vazallen aan inkomsten wordt geïnd en aan vrijheid wordt gegund, en anderzijds het bezit wat kooplieden en boeren en andere producenten van goederen en diensten wordt gegund, is een zeer delicate. Onbalans werkt revoluties, ontkerkelijking en misdaad in de hand en ook de huidige kredietcrisis dankt er voor een groot deel haar ontstaan aan.

Literatuur:

Zwaarden, paarden en ziektekiemen; waarom Europeanen en Aziaten de wereld domineren; Jared Diamond, Uitg. Het Spectrum BV, Utrecht (2000).

Zoonoses; Ed. J. van der Hoeden, Elsevier Publ. Comp., Amsterdam-London-New York (1964).

Origins of major human infectious diseases; N.D. Wolfe, C.P. Dunavan and J. Diamond, Natura, vol. 447/17, May 2007.

Zoonoses; Infectious Diseases Transmissible from Animals tot Humans, ASM Press, Washington (2003).